Examentraining tips en herhaling

Veel gemaakte fouten en herhaling van de belangrijkste onderdelen van het Examen
.....

CSE Biologie
1 / 34
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolvmbo k, g, tLeerjaar 4

This lesson contains 34 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Veel gemaakte fouten en herhaling van de belangrijkste onderdelen van het Examen
.....

CSE Biologie

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Leesvaardigheid
  • Lees eerst de vraag
  • Heb je de tekst nodig? Lees dan de tekst goed door. 
  • Onderstreep/markeer eventueel de belangrijke woorden.
  • Lees de vraag nog een keer en zoek je antwoord op in de tekst

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Rekenvaardigheden
Bij het berekenen van iets moet je de vraag goed lezen. Neem de moeite, want het is zonde om de punten te laten liggen.
Als er staat: schrijf je berekening op! Doe dat dan ook!

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Antwoorden..
Geef antwoord op wat gevraagd wordt (in je eigen woorden).
Schrijf geen dingen op die niet gevraagd zijn.

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

Meerkeuzevragen (groot deel!)
Weet je het antwoord op een meerkeuzevraag niet, ga dan niet meteen gokken.
Kijk eerst of je antwoorden kunt wegstrepen die sowieso fout zijn.
Kijk dan tussen de overgebleven antwoorden nogmaals of je het antwoord nu misschien wel weet.
Zo niet, gok dan pas één van de overgebleven antwoorden.

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Kenmerken van insectenbloemen en windbloemen

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

Voor de bloem op de foto is insectenbestuiving belangrijk.

Waaraan kun je dat zien?

Slide 7 - Open question

This item has no instructions

Levenscyclus plant



-Zaad
-Kiemplant
-Volwassen plant
-Bloem
-Vrucht

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

Verschil
Mitose 
(gewone celdeling)                            Van 46 -> 46                                                                          
Meiose   
(reductie deling)                                      Van 46 -> 23                                                      

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

Dag 14:
Ovulatie

Slide 10 - Slide

This item has no instructions

Volgorde licht in het oog

  • Hoornvlies
  • Pupil
  • Lens
  • Glasachtig lichaam
  • Gele vlek (netvlies)

Slide 11 - Slide

This item has no instructions

De samenstelling van bloed.
Het bloed bestaat uit plasma, witte bloedcellen, bloedplaatjes en rode bloedcellen.

Elk onderdeel heeft zijn eigen functies.

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

De rode bloedcel.
Vorm; rond met een deukje in het midden. Ze hebben geen celkern.

Functie: vervoeren van zuurstof
Bevat  ijzerhoudende stof: hemoglobine.
Gemaakt in: rode beenmerg (bot)

Slide 13 - Slide

This item has no instructions

De witte bloedcel.
Vorm: heeft geen vaste vorm. Heeft wel een celkern.

Functie: maken ziekteverwekkers dood en maken antistoffen
Etter/pus bestaan uit witte bloedcellen met dode ziekteverwekkers.
Gemaakt in: rode beenmerg (bot)

Slide 14 - Slide

This item has no instructions

Bloedplaatjes.
Vorm: Stukje cellen.  zijn restanten van uiteengevallen cellen.

Functie: zorgen voor de bloedstollen. 
Vormen een web bij een wondje. (het korstje)
Gemaakt in: rode beenmerg (bot)

Slide 15 - Slide

This item has no instructions


Profvoetballers trainen veel. Tijdens het trainen verliezen ze veel energie. Deze energie vullen ze na de training aan door een drankje te drinken met daarin veel glucose. De glucose wordt na opname in het bloed naar de lever vervoerd.

Waar in het bloed bevindt de glucose zich vooral?
A
in de bloedplaatjes
B
in de rode bloedcellen
C
in de witte bloedcellen
D
in het bloedplasma

Slide 16 - Quiz

This item has no instructions

Slagader
  • Wijde vaten
  • Dikke gespierde wanden
  • Van hart naar organen
  • Elastisch
  • Alleen kleppen aan het begin van de aorta en de longslagader
  • De slag van het hart is er in te voelen (pols)
  • Meeste liggen dieper in het lichaam
  • Alle slagaders zijn zuurstof rijk behalve de longslagader!

Slide 17 - Slide

This item has no instructions

Aders
  • Dunner dan slagaders
  • Dunne weinig gespierde wanden
  • Van organen naar hart
  • Bevat veel kleppen om terugstromen bloed te voorkomen
  • Geen slagkracht van hart te voelen
  • Holle aders voeren bloed terug naar hart
  • Alle aders zijn zuurstofarm, behalve de longader

Slide 18 - Slide

This item has no instructions

Celkenmerken
  • Op basis van celkenmerken 

Slide 19 - Slide

This item has no instructions

Kransaders/kransslagaders
  • De slagaders die het hart zuurstof en voedingsstoffen brengen heten kransslagaders
  • De aders die de afvalstoffen wegvoeren van het hart heten kransaders

Slide 20 - Slide

This item has no instructions

Plantaardige cellen hebben een kern.
Niet alle levende organismen hebben een kern in hun cellen.

Welke eencelligen hebben GEEN kern?

Slide 21 - Open question

This item has no instructions

Biotische & abiotische factoren
Levende factoren
Levenloze factoren

Slide 22 - Slide

This item has no instructions

Voedselketen



Voedselketen
  • Een voedselketen begint altijd met een plant/producent. 
  • Pijlen gaan van links naar rechts!

Slide 23 - Slide

This item has no instructions

  • Je moet de lagen van buiten naar binnen goed kennen.
  • Ook wat waar zit!
Lagen van de huid

Slide 24 - Slide

This item has no instructions

Het uitscheidingsstelsel

Slide 25 - Slide

This item has no instructions

12-vingerigedarm, lever, galblaas, alvleesklier. 
Wat komt waar uit?

Slide 26 - Slide

lever produceert gal --> opgeslagen in galblaas. vetten worden kleiner gemaakt --> Emulgeren. alvleesklier produceert alvleessap. 


Verteringstelsel
-  Speekselklier
-> speeksel --> verteert koolhydraten 
-  Maagsapklieren
- > maagsap --> verteert eiwitten
- De lever maakt gal -> emulgeren vetten
- Alvleesklier -> alvleessap --> verteert eiwitten, vetten en koolhydraten 
 - Darmsapklieren  -> eiwitten, vetten en koolhydraten

Slide 27 - Slide

This item has no instructions

Het maken van een onderzoeksplan/werkplan
  1. Vraagstelling/onderzoeksvraag
  2. Hypothese (wat denk je?)
  3. Werkwijze (Wat ga je doen?)
  4. Benodigdheden (Wat heb je nodig?)
  5. Resultaten (Wat zie je, verwerkt in tabellen of grafieken)     Let op! Dit is nog geen antwoord op je vraag!
  6. Conclusie (Antwoord op je onderzoeksvraag)

Slide 28 - Slide

This item has no instructions

Fotosynthese
Verbranding

Slide 29 - Slide

This item has no instructions

Opbouw van groot naar klein

Slide 30 - Slide

This item has no instructions

Orgaanstelsels

Slide 31 - Slide

This item has no instructions

Bewustwoording
Bewustwording vindt plaats in grote hersenen. Pas als de impulsen daar aankomen, ben je je bewust dat de bonbons voor je neus staan.

Slide 32 - Slide

This item has no instructions

Typen zenuwcellen
Er wordt onderscheid gemaakt tussen 3 typen zenuwcellen:
  1. Gevoelszenuwcellen
  2. Schakelcellen 
  3. Bewegingszenuwcellen
uitloper
uitloper

Slide 33 - Slide

This item has no instructions

Succes allemaal!

Slide 34 - Slide

This item has no instructions