Feiten, meningen en argumenten

Welkom N2H
1 / 26
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Welkom N2H

Slide 1 - Slide

timer
15:00

Slide 2 - Slide

Wat gaan we doen vandaag?
Lezen
Start H4
Uitleg lezen
Korte quiz 
Opdrachten maken

Slide 3 - Slide

Hoofdstuk 4

Slide 4 - Slide

Doel
Feiten, meningen en argumenten in een tekst herkennen
  

- Je weet wat een feit is
- Je weet wat een mening is
- Je weet wat een argument is


Slide 5 - Slide

Slide 6 - Video

FEIT

--> Een feit kun je controleren



Voorbeeld van een feit:

De helft van de veertienjarigen in Nederland krijgt €50,00 kleedgeld per maand.

Je kunt controleren of dit waar is door bijvoorbeeld artikelen te lezen op de website van het Nibud.

Slide 7 - Slide

MENING (STANDPUNT)

--> Wat iemand ergens van vindt

--> Het is niet controleerbaar

--> Je kunt het ermee eens of oneens zijn


Voorbeeld van een mening:

Ik vind het goed dat jongeren kleedgeld krijgen.

Slide 8 - Slide

ARGUMENT

--> Een argument is een uitleg waarmee je een mening
        verdedigt. Dus waarom je een bepaalde mening hebt.

--> Je herkent een argument aan signaalwoorden als:

         want, namelijk, omdat, immers

--> sterke en zwakke argumenten




Voorbeeld van een argument:

Ik vind het goed dat jongeren kleedgeld krijgen (mening), want dan leren zij met geld omgaan (argument).

Slide 9 - Slide

Noem zelf eens een feit over iets van vorige week

Slide 10 - Mind map

Geef een mening over iets van vorige week

Slide 11 - Mind map

Even testen...
Hierna zie je 10 uitspraken. Doe mee en test jezelf of je de theorie goed begrijpt!

Slide 12 - Slide

Feit, mening of argument?

Nederlands is het leukste vak op school.
A
Feit
B
Mening
C
Argument

Slide 13 - Quiz

Feit, mening of argument?

Ik vind 'The fast en the furious' een spannende film.
A
Feit
B
Mening
C
Argument

Slide 14 - Quiz

Feit, mening of argument?

Het overgangsregelement zegt dat je met vijf tekortpunten niet overgaat.
A
Feit
B
Mening
C
Argument

Slide 15 - Quiz

Feit, mening of argument?

Onze docent roept: "Ik vind dat jullie veel harder kunnen werken!"
A
Feit
B
Mening
C
Argument

Slide 16 - Quiz

Feit, mening of argument?

Uit onderzoek blijkt dat dit een heel mooi boek is.
A
Feit
B
Mening
C
Argument

Slide 17 - Quiz

Feit, mening of argument?

Ik word namelijk gesteund door de UvA.
A
Feit
B
Mening
C
Argument

Slide 18 - Quiz

Feit, mening of argument?

Volgens mij zijn de meeste mensen erg bang.
A
Feit
B
Mening
C
Argument

Slide 19 - Quiz

Feit, mening of argument?

Want geur geeft sommige deodorants net iets extra's.
A
Feit
B
Mening
C
Argument

Slide 20 - Quiz

Feit, mening of argument?

Een door irritatie beschadigde huid kan leiden tot eczeem.
A
Feit
B
Mening
C
Argument

Slide 21 - Quiz

Feit, mening of argument?

Ik vind Feyenoord beter dan Ajax.
A
Feit
B
Mening
C
Argument

Slide 22 - Quiz

Samengevat
Feiten: een feit kun je controleren.

Meningen: een mening is wat iemand van iets vindt.

Argument: reden waarom je een bepaalde mening hebt.

Slide 23 - Slide

Ik kan goed onderscheid maken tussen feiten en meningen.
😒🙁😐🙂😃

Slide 24 - Poll

Ik kan argumenten herkennen in een tekst.
😒🙁😐🙂😃

Slide 25 - Poll

Nu jij...
Hoofdstuk 4 Lezen - feiten, meningen en argumenten 

Startopdracht + 1 t/m 5 + 8

Slide 26 - Slide