Leren leren (woordjes leren)

Leren leren
Woordjes leren
1 / 21
next
Slide 1: Slide

This lesson contains 21 slides, with text slides.

Items in this lesson

Leren leren
Woordjes leren

Slide 1 - Slide

Leerdoelen
- ik kan verschillende manieren 
benoemen om woordjes te leren
- ik kan op verschillende manieren 
woordjes leren

Slide 2 - Slide

Manieren van woordjes leren
1) Lezen
2) Afdekmethode
3) Overschrijven
4) Post-it blaadjes
5) Memory
6) Apps
7) Flitskaarten
8) Laten overhoren

Slide 3 - Slide

1) Lezen
Je leest (hardop) de woordjes in de Nederlandse 
en vreemde taal. Luister goed naar wat je zegt. 
Probeer de woorden goed uit te spreken.

Slide 4 - Slide

Opdracht: Lezen
- Je pakt jouw boek van Engels
- Je gaat naar het hoofdstuk waar je nu mee bezig bent
- Je gaat naar de woordenlijst(en)
- Je leest het 1ste woordje in het EN, daarna de betekenis in
het NE. Dit doe je (hardop) pratend.
 - Luister goed naar wat je zegt. 
- Probeer de woordjes goed uit te spreken.

Slide 5 - Slide

2) Afdekmethode 
Je leest (hardop) de woordjes in 
de Nederlandse taal en je dekt 
de vreemde taal af.
Dan ga je kijken welke je weet.
Daarna wissel je het om.

Slide 6 - Slide

Opdracht: Afdekmethode
- Je pakt jouw boek van Engels
- Je gaat naar het hoofdstuk waar je nu mee bezig bent
- Je gaat naar de woordenlijst(en)
- Je legt jouw hand op de woordjes in het EN
- Je leest 1 woordje in het NE, 
- Je bedenkt wat dat woord in het EN is
- Ga zo verder
- Draai het ook om van EN naar NE

Slide 7 - Slide

3) Overschrijven 
Je schrijft het buitenlandse woordje 5x onder elkaar op. 
Dit doe je daarna met de volgende.
Daarna ga je jezelf deze 2 woordjes overhoren.
Daarna woordje 3 erbij. 
Dan 3 overhoren. Enz.

Slide 8 - Slide

Opdracht: Overschrijven
- Je pakt jouw boek van Engels
- Je gaat naar het hoofdstuk waar je nu mee bezig bent
- Je gaat naar de woordenlijst(en)
- Je leest het 1ste woordje in het NE
- Je leest wat het woord in het EN is
- Je schrijft dat EN woordje 5x onder elkaar op
- Terwijl je schrijft zeg je het woordje (hard)op
- Ga zo verder
- Na 5 woordjes herhaal je alle 5 de woordjes met je hand op de antwoorden

Slide 9 - Slide

4) Post-it blaadjes 
Je schrijft op post-it blaadjes de buitenlandse woordjes op en hang deze door het huis waar je deze vaak leest. 
Liefst met de Nederlandse 
vertaling er in het klein onder.

Slide 10 - Slide

Opdracht: Post-it blaadjes
- Je pakt jouw boek van Engels
- Je gaat naar het hoofdstuk waar je nu mee bezig bent
- Je gaat naar de woordenlijst(en)
- Je krijgt Post-it blaadjes van de docent
- Je schrijft het 1ste EN woordje BOVENAAN jouw post-it blaadje
- DAARONDER schrijf je de NE betekenis (andere kleur pen)
- Ga zo verder
- Hang ze thuis op in jouw slaapkamer / WC / enz. 
- Telkens als je er naar kijkt en het leest leer je de woordjes

Slide 11 - Slide

5) Memory 
Je schrijft op 1 blaadje het Nederlandse woord en op een ander de vertaling in de buitenlandse taal. 
Daarna ga je ze door elkaar gooien 
en op de kop neerleggen. 
Nu setjes proberen te vinden. 

Slide 12 - Slide

Opdracht: Memory
- Je pakt jouw boek van Engels
- Je gaat naar het hoofdstuk waar je nu mee bezig bent
- Je gaat naar de woordenlijst(en)
- Je krijgt van de docent een memory blad
- Je knipt de kaartjes uit
- Je schrijft het 1ste woordje in het EN op de voorkant  
en de NE betekenis op de achterkant
- Ga zo verder
- Speel het spel met een klasgenootje / ouder(s) 

Slide 13 - Slide

6) Apps 
Je maakt een account aan op:
- StudyGo
- Quizlet
Daar kun lijsten maken en/of verschillende methodes invoegen waarmee wij werken en de woordlijsten in jouw account zetten.
Nu kun je op de pc / mobiel woordjes oefenen.

Slide 14 - Slide

Opdracht: Apps
- Ga naar StudyGo en maak daar een gratis account aan
> voorgemaakte lijsten =
- vak 
- methode 
- leerjaar 
- niveau boeken vinden
> docenten kunnen ook lijsten aan jou geven / koppelen



Slide 15 - Slide

7) Flitskaarten 
Je zet op de voorkant van het kaartje het Nederlandse woord. Op de achterkant de vertaling.
Je maakt 1 stapel en overhoort jezelf. 
Wanneer je het kaartje goed hebt leg 
je deze aan de rechterkant, 
de foute aan de linkerkant. 
De stapel links ga je daarna weer oefenen enz.

Slide 16 - Slide

Opdracht: Flitskaarten
- Je pakt jouw boek van Engels
- Je gaat naar het hoofdstuk waar je nu mee bezig bent
- Je gaat naar de woordenlijst(en)
- Je krijgt van de docent een flitskaarten blad
- Je knipt de kaartjes uit
- Je schrijft het 1ste woordje in het EN op de voorkant en op de achterkant de NE betekenis
- Ga zo door
- Overhoor jezelf

Slide 17 - Slide

8) Je laten overhoren 
Je laat jezelf overhoren door anderen.
Van Nederlands naar de vreemde taal en andersom.
Let op.... schrijf de woordjes op 
want bij een toets moet jij ze ook 
kunnen schrijven.

Slide 18 - Slide

Opdracht: Laat je overhoren
- Je pakt jouw boek van Engels
- Je gaat naar het hoofdstuk waar je nu mee bezig bent
- Je gaat naar de woordenlijst(en)
- Je laat de ander een woordje in het NE zeggen, jij SCHRIJFT de EN betekenis op
- Ga zo door

Slide 19 - Slide

Volgorde
De volgorde van 1 t/m 8 is in een logische volgorde. 
Dat wil natuurlijk niet zeggen dat je ze allemaal moet doen.

Kijk waar je:
- Tijd voor hebt
- Zin in hebt
- Veel succes bij hebt

Slide 20 - Slide

Extra tips
* Start op tijd met leren, 5 dagen vooraf beginnen 
met leren en dan iedere dag 15 minuten is 
verstandiger dan bijvoorbeeld 1 dag 1,5 uur
* Herhalen, herhalen, herhalen. 2x per dag 10 
minuten is effectiever dan 1 dag 20 minuten
* Combineer de 8 manieren. Op 1 manier de woordjes 
leren werkt minder dan verschillende aanpakken.

Slide 21 - Slide