D4 Veel voorkomende woorden en uitdrukkingen in de vraagstelling v6

Examen Bundel VWO


D4 : Veelvoorkomende woorden en uitdrukkingen in de vraagstelling


D5 : Signaalwoorden
1 / 21
next
Slide 1: Slide
FransWOStudiejaar 5,6

This lesson contains 21 slides, with interactive quizzes and text slide.

Items in this lesson

Examen Bundel VWO


D4 : Veelvoorkomende woorden en uitdrukkingen in de vraagstelling


D5 : Signaalwoorden

Slide 1 - Slide

À quoi servent ces exemples ?
"À QUOI SERVENT"
A
Wat is waar
B
verwijzen naar
C
Waartoe dienen
D
laten zien

Slide 2 - Quiz

"à juste titre" signifie...
A
op die manier
B
zeker
C
in plaats van
D
terecht

Slide 3 - Quiz

Qu'est-ce qui ressort de l'alinéa ?
"RESSORT"
A
naar voren komen, uitkomen
B
samenvatten
C
vervangen
D
vaststellen

Slide 4 - Quiz

Qu'est-ce que cela signifie ?
"SIGNIFIE"
A
gebruikt
B
voegt toe
C
vervangt
D
betekent

Slide 5 - Quiz

Dans quel but l'auteur écrit-il...
"DANS QUEL BUT"
A
waarop baseert... zich
B
Met welk doel
C
waaruit bestaat
D
Waartoe dient

Slide 6 - Quiz

"à la fois" signifie...
A
hoewel
B
zoals
C
tegelijkertijd
D
met behulp van

Slide 7 - Quiz

Qu'est-ce qui est vrai d'après l'alinéa...
"QU'EST-CE QUI EST VRAI"
A
Wat is waar
B
Wat staat er in
C
Waartoe dienen
D
Waaruit bestaan

Slide 8 - Quiz

"EN QUOI CONSISTE..."
A
Waarover gaat
B
Waartoe dient
C
Waarop baseert... zich
D
Waaruit bestaat

Slide 9 - Quiz

"En résumé" signifie...
A
eigenlijk
B
samenvattend
C
ten slotte
D
vanwege

Slide 10 - Quiz

À quoi sert l'alinéa...
"À QUOI SERT"
A
Waarop heeft... betrekking
B
Wat staat er in
C
Waartoe dient
D
Waarover gaat

Slide 11 - Quiz

"par ailleurs"
signifie...
A
waarschijnlijk
B
inderdaad
C
daarentegen
D
trouwens

Slide 12 - Quiz

Le pronom renvoie à...
"RENVOIE À"
A
Verwijst naar
B
voegt toe
C
laat zien
D
gebruikt

Slide 13 - Quiz

"Dans quel sens..."
A
Met welk doel
B
in welke betekenis
C
Waarover
D
Waaruit

Slide 14 - Quiz

"Il en résulte que"
A
ten gevolge van
B
dat wil zeggen
C
evenzeer als
D
hieruit volgt dat

Slide 15 - Quiz

Que peut-on déduire de l'article...
"DÉDUIRE"
A
vervangen
B
laten zien
C
afleiden
D
uitleggen

Slide 16 - Quiz

Du reste, on peut dire que...
"DU RESTE"
A
overigens
B
inderdaad
C
zelfs
D
ondanks

Slide 17 - Quiz

Qu'est-ce que l'auteur veut illustrer par cette phrase ?
"ILLUSTRER"
A
afleiden
B
verduidelijken
C
samenvatten
D
vervangen

Slide 18 - Quiz

"D'autant plus que"
A
vooral
B
verre van
C
temeer dat
D
niettemin

Slide 19 - Quiz

Tout compte fait, il vaut mieux accepter sa décision.
"TOUT COMPTE FAIT"
A
integendeel
B
op voorwaarde dat
C
dat wil zeggen
D
alles welbeschouwd

Slide 20 - Quiz

Quelle est l'attitude de l'auteur ?
"ATTITUDE"
A
doel
B
reden
C
houding
D
kenmerk

Slide 21 - Quiz