Leesvaardigheid Frans 5v

5v- Leesvaardigheid tips & tricks
Hoger cijfer dan een 6: 
wordt bepaald door vocabulairekennis en analytisch denken 

(bijvoorbeeld: foute antwoorden herkennen, typen vragen herkennen, signaalwoorden gespot)
1 / 54
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 5,6

This lesson contains 54 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

5v- Leesvaardigheid tips & tricks
Hoger cijfer dan een 6: 
wordt bepaald door vocabulairekennis en analytisch denken 

(bijvoorbeeld: foute antwoorden herkennen, typen vragen herkennen, signaalwoorden gespot)

Slide 1 - Slide

Examentraining Frans Leesvaardigheid

\

Slide 2 - Slide

Leesvaardigheid tips & tricks
Basis: Wat wil het CITO?
  • Grote lijn van het verhaal kunnen volgen  (GL-vragen)
  • Signaalwoorden herkennen en tekstverbanden analyseren
  • Mening van "experts" begrijpen
  • Positieve/negatieve woorden en vergelijkingen van elkaar onderscheiden
  • Voorbeelden herkennen
  • Foute antwoorden herkennen


Als dit allemaal redelijk lukt: 5,5 à 6 

Slide 3 - Slide

Leesstrategie W W W W W H
  • Over Wie/Waarover gaat het?
  • Wat gebeurt er?
  • Waar gebeurt het?
  • Wanneer gebeurt het?
  • Waarom gebeurt het?
  • Hoe gebeurt het?
> Antwoord op deze vragen = de GROTE LIJN

Slide 4 - Slide

Stappenplan: leesstrategieën

1. Oriënterend lezen: titel, afbeeldingen -> onderwerp en soort tekst

2. Globaal lezen: inleiding, slot, tussenkopjes, eerste en laatste zin alinea's -> wie/waarover, wat, waar, wanneer, waarom, hoe

3. Intensief lezen: gehele tekst (je hoeft niet alle woorden te kennen om de tekst te begrijpen)

Slide 5 - Slide

Stappenplan

Slide 6 - Slide

Woordenboekgebruik
Gebruik NIET meteen je woordenboek.
Anders raak je echt in tijdnood!
Kijk eerst of je de betekenis van een woord op een andere manier kunt achterhalen.
 Misschien lijkt het woord op een andere taal die je kent, wordt de betekenis in een voetnoot gegeven of kun je de betekenis uit de context afleiden.

Slide 7 - Slide

Zoek de volgende woorden op : 
1. coup
2. coup de foudre
3. coup de poing
4. coup de coeur
5. boire un coup
6. coup de main 
7. coup de balai

Slide 8 - Slide

Signaalwoorden

Slide 9 - Slide

Welke 2 signaalwoorden geven een tegenstelling aan?
A
cependant, par contre
B
enfin, en général
C
avant de, après
D
tout de suite, pendant que

Slide 10 - Quiz

Wat is de functie van het signaalwoord:

ainsi
A
uitbreiding / opsomming
B
gevolg
C
conclusie
D
doel

Slide 11 - Quiz

Wat is de functie van het signaalwoord:

pourtant

A
uitbreiding / opsomming
B
gevolg
C
conclusie
D
tegenstelling

Slide 12 - Quiz

Wat is de functie van het signaalwoord:

puisque
A
uitbreiding / opsomming
B
reden
C
conclusie
D
doel

Slide 13 - Quiz

Wat is de functie van het signaalwoord:

en résumé
A
uitbreiding / opsomming
B
gevolg
C
conclusie
D
doel

Slide 14 - Quiz

Traduis les connecteurs
ook
ten eerste
inderdaad
ongetwijfeld
zelfs
dus
également
d'abord
en effet
sans aucun doute
même
donc

Slide 15 - Drag question

Welke toon is niet positief?
A
Admirateur
B
Convaincu
C
Fier
D
Chagrin

Slide 16 - Quiz

Welke toon is niet positief?
A
Persévérance
B
Inquiet
C
Juste
D
Approbateur

Slide 17 - Quiz

Slide 18 - Slide

1. Juist / onjuist-vragen
Bij juist / onjuist-vragen moet je van meerdere - meestal drie - beweringen nagaan of ze overeenkomen met een deel van de tekst / een alinea.
1. Lees de beweringen zorgvuldig en markeer kernwoorden.
2. Zoek het tekstgedeelte op waarnaar wordt verwezen. 
3. Lees het betreffende gedeelte nauwkeurig door en vergelijk het met de beweringen. De beweringen staan meestal in volgorde van de tekst. LET OP DE GEMARKEERDE KERNWOORDEN EN/OF SYNONIEMEN VAN DEZE WOORDEN
4. Vind je bewijzen in de tekst dat de volledige bewering klopt? Dan is deze bewering juist. Klopt de bewering maar deels, dan is hij onjuist.
5. Kun je niets vinden in de tekst over één van de beweringen? Dan is deze bewering onjuist.
6. Noteer het nummer van de beweringen op je antwoordblad met juist of onjuist erachter.

Slide 19 - Slide

Oefenen met Cito 2021 tijdvak 3
 Juist/onjuist -vragen
2021 TV 3 : 
Tekst 5 : vraag 16 
Tekst 6 : vraag 18
Tekst 7 : vraag 20 (mkv) en 22
Tekst 8 : vraag 25
tekst 10: vraag 34 en 35
----------------------------------------------------------------------------------------------------------
tekst 2: vraag 3
tekst 6 : vraag 19
tekst 9 : vraag 26
tekst 11: vraag 36
tekst 12 : vraag 40
Havo
Vwo

Slide 20 - Slide

2. Meerkeuzevragen
Ongeveer 2/3 van de examenvragen is meerkeuzevragen. Deze pak je als volgt aan.
1. Lees de meerkeuzevraag (alleen de vraag, nog NIET de antwoorden).
2. Bepaal in welk tekstgedeelte je het antwoord op de vraag moet zoeken en lees dit stukje nauwkeurig door. Zoek daar de aanwijzingen die belangrijk zijn voor het beantwoorden van de vraag. Onderstreep die aanwijzingen in de tekst. Zoek ook naar SYNONIEMEN.
3. Probeer in gedachten zelf een antwoord op de vraag te formuleren.
4. Lees nu de antwoordopties nauwkeurig door en zorg dat je ze begrijpt (DUS NIET IEDER WOORD OPZOEKEN). Vergelijk ze met het door jezelf bedachte antwoord en kies de antwoordoptie die hier het meest op lijkt.
5. Als je niet direct het juiste antwoord op de vraag kunt vinden tussen de gegeven mogelijkheden, pas dan de eliminatiemethode toe >>> onjuiste antwoorden wegstrepen.

Slide 21 - Slide

Slide 22 - Slide

Slide 23 - Slide

Oefenen met Cito 2021 tijdvak 3 .
Teksten met meerkeuzevragen
Havo:   tekst 2 : vraag 2 en 3 / tekst 3 : 5/7/8  tekst 4 : 9/10/12  tekst 5 : 14/15 tekst 7: 19/20 / tekst 8 : 23/27 tekst 9 : 28/ tekst 10 :32/33 / tekst 11 : 36 tekst 12: 39/40/42/43

Vwo: tekst 1 : vraag 2/ tekst 2 : vraag 4/ tekst 3: vraag 5/6/7 (uitsluiten)/9  tekst4: 10/12/13/14
tekst5 : 15/16/17 tekst 6 : 21/22/23 tekst 7: 24 (ontkenning) , tekst 9 : 29/30, tekst 10 : 31/32/33
tekst 11 ; 35/37/38 tekst 12 : 41 / tekst 13 : 45

Slide 24 - Slide

3. Invulvragen bij gatenteksten
1. Lees de tekst tot het gat globaal om te begrijpen waar het over gaat. Zorg ervoor dat de grote lijn van de tekst duidelijk is.
2. Lees de zin waarin de open plek voorkomt nauwkeurig door. Lees ook het tekstgedeelte vóór en ná de open plek.
3. Kijk nog niet naar de antwoordopties, maar bepaal eerst welk verband er is tussen het deel vóór en ná de open plek.
4. Bepaal welk soort woord je in moet vullen (signaalwoord, werkwoord, zelfstandig naamwoord) en verzin zelf een woord dat je passend lijkt op deze open plek.
5. Vertaal de antwoordopties in het Nederlands en kies het woord dat het meeste lijkt op het woord dat je zelf had bedacht.
6. Controleer je antwoord door het gekozen woord in de zin in te vullen en te kijken of deze past.

Slide 25 - Slide

Op zoek naar verbanden? Tips...
- Staat de open plek aan het einde van de alinea? Dan zou een signaalwoord dat een opsommend verband aangeeft niet logisch zijn. Een signaalwoord dat een concluderend verband aangeeft (bref, pour conclure, donc) zou in dit geval logischer zijn.
- Staat de open plek na een zin waarin een bewering wordt gedaan? Dan zou het kunnen dat deze bewering door middel van een voorbeeld geïllustreerd wordt (par exemple, ainsi, comme) of dat er een uitleg wordt gegeven voor deze bewering (car, parce que, c'est pourquoi)

Slide 26 - Slide

Oefenen met gatenteksten : Cito 2021 tijdvak 3
tekst 4 : vraag 11 en tekst 5: vraag 17
tekst 7 : vraag 21
tekst 8 : vraag 26
tekst 11 :vraag 37
tekst 12 : vraag 41
----------------------------------------------------------------------------------------------------------
tekst 1 : 1
tekst 4 : 11
tekst 6 : 20
tekst 9: 28/30
tekst 12 en 13 : 42/44
Havo
Vwo

Slide 27 - Slide

4. Open vragen
Open vragen worden in het Cito-examen altijd in het Nederlands gesteld. Je beantwoordt deze vragen ook in het Nederlands, tenzij er om een citaat gevraagd wordt uit de tekst.
Er zijn drie soorten open vragen die je kunt tegenkomen in het examen:
- open vraag waarbij je in het Nederlands een antwoord moet formuleren
- open vraag waarbij je antwoordt met een citaat uit de tekst
- open vraag waarbij je één gegeven (bijvoorbeeld de naam van een persoon) moet geven

Slide 28 - Slide

Open vragen: aanpak
1. Lees de open vraag nauwkeurig. Vertaal eventuele citaten. 
2. Ga na welke informatie wordt gevraagd in de opdracht en benoem dit voor jezelf. Bedenk vervolgens naar wat voor soort informatie je moet zoeken in de tekst. Structuurwoorden (oorzaak, voorbeeld)? Woorden met een positieve of negatieve strekking? Een bepaald thema?
3. Ga vervolgens op zoek naar die informatie in de tekst en onderstreep het tekstgedeelte waar je denkt dat het antwoord zich bevindt.
4. Formuleer je antwoord.
- Als je in het Nederlands een antwoord moet formuleren, vertaal je eerst letterlijk het tekstgedeelte. Zet daarna de letterlijk vertaalde zin om naar een lopende zin in correct Ned.
- Als er om een citaat wordt gevraagd, schrijf je de eerste (twee) woorden van het citaat op.
- Als er om één gegeven wordt gevraagd, schrijf je alléén dat ene gegeven op.

Slide 29 - Slide

Oefenen met open vragen Cito 2021 tijdvak 3 
tekst 1 : vraag 1
tekst 2 : vraag 4 (citeer)
tekst 3 : vraag 6 (citeer)
tekst 4 : vraag 13
tekst 9 : vraag 29/30/31
tekst 13 : vraag 44/45
----------------------------------------------------------------------------------------------------------
tekst : 3 : vraag 8
tekst 5  vraag 18
tekst 8 : vraag 25
tekst 9 : vraag 27
tekst 10 : vraag 34
tekst 11 : vraag 39
tekst 13 :vraag 43

Havo
Vwo

Slide 30 - Slide

TIPS & TRUCS

Om in te zetten bij het eindexamen Frans

Slide 31 - Slide

Slide 32 - Slide

Slide 33 - Slide

Slide 34 - Slide

Slide 35 - Slide

Slide 36 - Slide

parce que
mais
pourtant
par exemple
si
par contre
donc
ensuite
bref
en plus
daarentegen
dus
bovendien
omdat
kortom
vervolgens
toch
bijvoorbeeld
maar
als

Slide 37 - Drag question

Vind de hoofdgedachte
Bekijk het plaatje en lees de tekst 
op de volgende dia. 
Focus op de woorden die je wél kent.
Beantwoord daarna in het Ned de volgende vragen: WIE, WAT, WAAR, WAAROM?

Slide 38 - Slide

Slide 39 - Slide

Hoofdgedachte:
WIE

Slide 40 - Open question

Hoofdgedachte:
WAT

Slide 41 - Open question

Hoofdgedachte:
WAAR

Slide 42 - Open question

Hoofdgedachte:
WAAROM

Slide 43 - Open question

Wat betekent de vraag:
Par quel mot cette phrase aurait-elle pu commencer?

Slide 44 - Open question

De quel ton l’auteur parle-t-il dans ce texte?

Slide 45 - Open question

Lesquelles des affirmations suivantes correspondent à ce qui est dit au premier alinéa?

Slide 46 - Open question

Qu’est-ce qui est vrai selon l’alinéa 6

Slide 47 - Open question

Quel est le but principal de cet article

Slide 48 - Open question

Quel aurait pu être le titre de ce texte?

Slide 49 - Open question

Comment ce passage se rapporte-t-il à la phrase précédente?

Slide 50 - Open question

il en donne la conséquence

Slide 51 - Open question

il la contredit

Slide 52 - Open question

il l’affaiblit

Slide 53 - Open question

il l’appuie

Slide 54 - Open question