1. plaats (waar?)
In het Engels staat de plaatsaanduiding (waar) aan het einde van de zin:
they are hiking in the mountains -> (zij zijn aan het wandelen in de bergen.)
2. Tijd (wanneer)
In het Engels staat de tijdsaanduiding (wanneer) aan het eind van de zin.
(The plants grow in spring -> de planten groeien in de lente.)
Plaats voor tijd
Als er zowel een plaats als tijd in de zin staat, komt de plaats voor de tijd te staan.
Een handig ezelsbruggetje is het alfabet: daarin komt de P van de plaats voor de T van tijd.
She goes to the lake every Friday