week 9 weektaak + future

Hi B2C!
Today's plan:
Check last week's worksheet
The future
Listening ex 3 + 4
1 / 22
next
Slide 1: Slide
EngelsMiddelbare schoolmavo, havoLeerjaar 2

This lesson contains 22 slides, with text slides.

Items in this lesson

Hi B2C!
Today's plan:
Check last week's worksheet
The future
Listening ex 3 + 4

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Slide

Slide 8 - Slide

x

Slide 9 - Slide

The future

Slide 10 - Slide

The future = de toekomst
Er zijn in het Engels verschillende manieren om te praten over de toekomst.


Slide 11 - Slide

1. will + hele ww
will = zullen                                                                   will not = won't 
Je gebruikt will + hele w.w:
-  Bij een spontaan aanbod:
I'll give you a ride. 
I'll help you with that. 
I'll answer it.
I'll make you a sandwich

Slide 12 - Slide

- Bij een belofte:                             
I will always be there for you.
I will be home on time.
I will never let you down.
I will stop smoking. 

Slide 13 - Slide

- bij een voorstel:
Shall we go to the movies tonight?
Shall I help you with that?
Shall we have lunch together tomorrow?
Shall I bring you some tea? 

Let op: bij vragen met het onderwerp I/we verandert will in shall!

Slide 14 - Slide

Je gebruikt will ook als je een voorspelling doet die gebaseerd is op je eigen mening:
- I think he will be a pilot when he grows up.
- I believe there will be flying cars in ten years 
- I don't think the president will be reelected. 

Slide 15 - Slide

Je gebruikt will ook als je onzeker bent over de toekomst:
- Maybe they'll win the game next Saturday.
- Perhaps we'll see each other next week. 
- She will probably be on time. 


Slide 16 - Slide

2. to be going to + hele werkwoord
Er zijn 2 redenen om to be going to te gebruiken:
1. Je vertelt over iets dat jij of iemand anders van plan bent:
- I'm going to play basketball tonight.
- She's going to go on holiday next week.
- They're going to buy a new car soon. 

Slide 17 - Slide

2. Je doet een 'voorspelling met bewijs'. Dit betekent dat je aan ziet komen dat er iets gaat gebeuren:
- Look at those dark clouds. It's going to rain.
- Oh no that glass is going to fall!
- The bomb is ticking. It's going to explode. 

Slide 18 - Slide

3. present continuous
Je gebruikt de present continuous voor iets dat nu gebeurt maar je kunt hem ook gebruiken voor de future. Dat doe je als je iets van plan bent, en je hebt er ook al iets voor geregeld. Je weet al waar en met wie:
- We're having dinner at my parents' on Christmas Eve.
- We're flying to Spain tomorrow.
- I'm having lunch with Susan next Saturday.

Slide 19 - Slide

4. Present simple
Deze ken je al: het is de tegenwoordige tijd. In de future gebruik je hem voor alles wat gaat volgens een rooster, schema of dienstregeling:
- School starts at 8.45 tomorrow.
- His plane arrives at 9 pm tonight.
- The museum closes at 7 tomorrow. 
- Hurry up, the movie starts in 10 minutes. 

Slide 20 - Slide

Listening exercises p. 179

Slide 21 - Slide

Slide 22 - Slide