5h-2025-F-blokuur-28-3-bearb

Lernziele heute:
- Stappenplannen kennen und üben

Examenfragen üben:
- 2x 25 Minuten lesen

- Wortschatz: 5 Sätze übersetzen
- Quizlet: Signalwörter üben



1 / 33
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

This lesson contains 33 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Lernziele heute:
- Stappenplannen kennen und üben

Examenfragen üben:
- 2x 25 Minuten lesen

- Wortschatz: 5 Sätze übersetzen
- Quizlet: Signalwörter üben



Slide 1 - Slide

This item has no instructions




Lesefertigkeit

Montag,
 12. Mai
09:00-11:30
Deutsch-Examen

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

Hausaufgabe war:
Af hebben: teksten E 10, 11 + 12 = Examenbundel blz. 127-133

Controleer jouw antwoorden van de E-teksten met de uitwerkingen, zie bijlage vanaf blz. 4. => staat op ELO studiewijzer

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Hurra, ein Reader

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

Slide 7 - Slide

This item has no instructions

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

Blz. 3: Stap 1:

1. Titel (eventueel woordenboek gebruiken!)
2. Ondertitel(s)
3. Kopjes
4. Plaatjes
5. Grote lijn formuleren & noteren
 
Stap 2:
1. Wat willen ze weten?
2. Waar moet het antwoord in de tekst staan? Dit tekstgedeelte markeer/onderstreep je.
3. Wat voor soort vraag/tekst is het (ABCD, open, gat, stelling, scan)?
Vervolgens ga je het tekstgedeelte lezen dat je nodig hebt om de bijbehorende vraag te kunnen beantwoorden. Daarbij markeer je onderstaande zaken:
4. Citaten/synoniemen uit de vraag
5. Signaalwoorden (Let op: hier komt iets belangrijks!)
6. Belangrijke leestekens (dubbele punt, aanhalingsteken, puntkomma)


Slide 9 - Slide

F1 + 2 zusammen mit Stappenplan
Daarna:
VRAAGSOORT/TEKSTSOORT BEPALEN (STAP 3)
1. ABCD-vragen (meerkeuzevragen -> 1 antwoord is goed)
2. Open vragen (je moet zélf het antwoord kort en krachtig formuleren)
3. Gatenvragen/gatentekst (jij moet bepalen welk woord in de tekst ontbreekt, meestal meerkeuzevraag)
4. Stellingvraag (jij moet van elke stelling aangeven of deze klopt of niet)
5. Scantekst (korte tekst met vaak slechts 1 vraag, meestal meerkeuze of open)
We zullen nu per vraag-/tekstsoort laten zien hoe je te werk moet gaan. In alle gevallen geldt:
Volg de stappen TOTDAT je het goede antwoord gevonden hebt.
Soms heb je dus 5 stappen nodig om tot het juiste antwoord te komen, maar een andere keer maar 3.

Slide 10 - Slide

This item has no instructions

Zelfstandig:
Lees in de reader de tips voor de vraagsoorten (vanaf blz. 4) en markeer belangrijke dingen.
Beantwoord ook de vragen op blz. 11/12.

Klaar? Begin met F, blz. 135
timer
7:00

Slide 11 - Slide

This item has no instructions

3. Welke tekstsoorten vind je moeilijk?
4. Wat maakt deze tekstsoort voor jou zo lastig?
5. Hoe kan je hiermee oefenen?
8. Welke vraagsoorten vind je lastig(er)?
10. Hoe kun je hier mee om leren gaan?
11. Ben je tevreden over je woordenschat? 
12. Wat kun je nog aan je woordenschat verbeteren en hoe ga je dit doen?

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

mijnexamenbundel.nl

Slide 13 - Slide

This item has no instructions

Vraagsoort:
open
=> werken de tips?

Slide 14 - Slide

This item has no instructions

Grote Lijn?

Slide 15 - Slide

This item has no instructions

Tipp: Let op woorden als "diese", "solchen" => dan moet eerder al iets genoemd zijn!
Vraagsoort?

Slide 16 - Slide

This item has no instructions

Examenwortschatz benutzen: Übersetze
1. Ist diese Beschäftigung einstweilig oder endgültig?
2. Ist Ihre Quelle irgendein gehässiger Ehegatte?
3. In Bezug auf die Wahlen: Der neue Kanzler muss sich verrenken.
4. Die Schuldenbremse schwankt jäh. 
5. Unsere Tagung der Sachverständigen war überaus relevant.
timer
7:00

Slide 17 - Slide

This item has no instructions

Slide 18 - Slide

This item has no instructions

Und jetzt:

Examenbundel weiterlesen = Seite 137-142 (tekst 2, 3, 4)
= mindestens 10 Fragen beantworten
=> 30 Minuten lang

Hausaufgabe: Signalwörter ODER Wortschatz lernen 





timer
30:00

Slide 19 - Slide

This item has no instructions

Was wird im 2. Absatz beschrieben?


A
warum die Forscher sich für Möwen entschieden haben
B
was für die Forscher der Anlass zu der Untersuchung war
C
wie die Forscher die Möwen gefangen haben
D
wie die Forscher zu ihren Daten gekommen sind

Slide 20 - Quiz

This item has no instructions

“Eigentlich hätte es dort nichts mehr zu holen geben dürfen.” (regel 14-15)
1p 4 Leg uit waarom er niets voor de meeuwen had mogen liggen.

Slide 21 - Open question

This item has no instructions

Welche Ergänzung passt in die Lücke in Absatz 3?
A
eine gesunde Umgebung
B
einen sicheren Brutplatz
C
Essbares im Überfluss

Slide 22 - Quiz

This item has no instructions

Welke twee voordelen heeft het werken met vogels volgens alinea 4 (2p)

Slide 23 - Open question

This item has no instructions

7 Welche Aussage trifft auf den letzten Absatz zu?
Der letzte Absatz
A
erwähnt einen Nachteil von der Suchweise mit Vögeln nach illegalen Müllplätzen
B
gibt eine Zusammenfassung dieses Textes über die gefiederten Detektive.
C
nennt einen weiteren Plan, um noch mehr illegale Müllplätze aufzuspüren.

Slide 24 - Quiz

This item has no instructions

8 Was sagt der 1. Absatz aus?
Das Restaurant Restlos glücklich
A
ist Leoni Beckmanns erstes Speiselokal.
B
verarbeitet übriggebliebene Lebensmittel.
C
will das preiswerteste Öko-Restaurant in Berlin werden.

Slide 25 - Quiz

This item has no instructions

9 „Leoni hat … schon an.“ (Zeile 22-23)
1p 9 Wie äußert sich der Verfasser des Textes über Leoni? (Absatz 3)
A
Er beneidet sie dafür, wie sie ihren Streit aus Überzeugung führt
B
Er findet, sie sollte sich etwas mehr um ihr Äußeres bemühen
C
Er glaubt, dass sie in Übereinstimmung mit ihrer Überzeugung lebt
D
Er vermutet, dass sie mal einen Karrierewechsel machen wird.

Slide 26 - Quiz

This item has no instructions

Geef van elk van de volgende beweringen aan of deze overeenkomt met
regel 27-46.
A
1 wel 2 niet 3 niet 4 niet
B
1 wel 2 wel 3 wel 4 niet
C
1 niet 2 niet 3 wel 4 niet
D
1 wel 2 niet 3 wel 4 niet

Slide 27 - Quiz

This item has no instructions

11 Welcher Titel passt am besten zum letzten Absatz?
A
Große Auswahl in schickem Ambiente!
B
Kleine Preise, große Portionen!
C
Neues Restaurant für jüngere Kundschaft
D
Originelles Restaurant mit Erfolgsrezept!

Slide 28 - Quiz

This item has no instructions

Zo veel punten heb ik (van 11)
9-11
6-8
minder dan 6

Slide 29 - Poll

This item has no instructions

Deze tekst was het moeilijkst
Over de meeuwen
over het restaurant

Slide 30 - Poll

This item has no instructions

Ik weet hoe ik me kan voorbereiden op het examen Duits
Ja
Ein bisschen
Nein

Slide 31 - Poll

This item has no instructions

Slide 32 - Link

This item has no instructions

Slide 33 - Slide

This item has no instructions