Paragraaf 5.1

Planning
  • Proefwerk bespreken;
  • Afmaken theorie 5.1;
  • Tijd over --> zelfstandig werken aan opdrachten 5.1.
1 / 34
next
Slide 1: Slide
GeschiedenisMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

This lesson contains 34 slides, with interactive quizzes, text slides and 3 videos.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Planning
  • Proefwerk bespreken;
  • Afmaken theorie 5.1;
  • Tijd over --> zelfstandig werken aan opdrachten 5.1.

Slide 1 - Slide

Waarom noemen we de middeleeuwen de middeleeuwen?

Slide 2 - Open question

Eerst de naam: 
De Middeleeuwen

  • De tijd na het Romeinse Rijk (Oudheid) en vóór de Nieuwe Tijd.

  • Het ligt in het midden van die twee perioden: tussenperiode

  • Ongeveer tussen 500 en 1500

  • Vroege Middeleeuwen: 500-1000
  • Late Middeleeuwen: 1000-1500

Slide 3 - Slide

Wat hoort er bij een middeleeuwse stad? 
Kerk
Als ik hoor bij een Middeleeuwse stad, sleep mij dan.
Plein
Als ik hoor bij een Middeleeuwse stad, 
sleep mij dan naar het sleepdoel. 
Stadsmuur
Als ik hoor bij een Middeleeuwse stad, 
sleep mij dan naar het sleepdoel. 
Agora
Als ik hoor bij een Middeleeuwse stad, 
sleep mij dan naar het sleepdoel. 
Tempel
Als ik hoor bij een Middeleeuwse stad, 
sleep mij dan naar het sleepdoel. 
Stadspoort
Als ik hoor bij een Middeleeuwse stad, 
sleep mij dan naar het sleepdoel. 
Markt
Als ik hoor bij een Middeleeuwse stad, 
sleep mij dan naar het sleepdoel. 
Koopmanshuis
Als ik hoor bij een Middeleeuwse stad, 
sleep mij dan naar het sleepdoel. 

Slide 4 - Drag question

Tijd van Grieken en Romeinen
(500 v. Chr. - 500 n. Chr.)
Tijd van Monniken en Ridders
(500-1000)
(Vroege Middeleeuwen)
Tijd van Steden en Staten
(1000-1500)
(Late Middeleeuwen)
1492: Columbus 'ontdekt' Amerika
(Einde van de Middeleeuwen)
⚓️
476: Val van het West-Romeinse Rijk
(Begin van de Middeleeuwen)
🔥
Tijd van Ontdekkers en Hervormers
(1500-1600)
Tijd van Regenten en Vorsten
(1600-1700)
Tijd van Pruiken en Revoluties
(1700-1800)

Slide 5 - Slide

Onrustige tijden in Europa 500-800

  • Na de val van het West-Romeinse Rijk waren er veel oorlogen
  • Reizen was gevaarlijk en de meeste mensen leefden in dorpjes.

  • Grote steden, zoals Rome, waren er niet (meer)

Slide 6 - Slide

De 'val'
  • Onrust in het rijk
  • Epidemieën, volksverhuizingen en politiek gedoe zorgen voor een verdeling van het rijk;
  • In 395 splitst keizer Theodosius het rijk op
  • Grensgebieden worden onrustig, 476 wordt de keizer  afgezet door Germanen 

Slide 7 - Slide

De 'val'
  • Boek heeft het over een val;
  • Transformeren is een beter woord;
  • Veel gebruiken bleven bestaan (Latijn, wegennetwerk, (bouw)kunst, handel) maar ebben langzaam weg.
  • Oostelijke deel van het rijk bleef nog 1000 jaar bestaan

Slide 8 - Slide

Het Frankische Rijk 751-870

  • Het Frankische volk kreeg de macht over een groot deel van Europa.
  • De bekendste Frankische koning was Karel de Grote.  
  • In het jaar 800 werd hij zelfs keizer van het Heilige Roomse Rijk

Slide 9 - Slide

Een nieuwe keizer
  • In 800 werd Karel de Grote gekroond tot keizer in Rome!
  • Door niemand minder dan de paus!
  • De paus liet zien dat Karel een opvolger van de Romeinse keizers was

  • Het Frankische rijk kan hiermee worden gezien als opvolger van het Romeinse rijk. 

Slide 10 - Slide

Het Frankische rijk
Frankische
rijk
Karel de Grote
O.l.v. Karel de Grote ontstond een groot rijk na de 'val' van het West-Romeinse rijk (3e / 4e eeuw n.Chr.)

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Slide

Inzage proefwerk
  • Je krijgt jouw proefwerk terug en een leeg vel papier.

  • Tijdens het doornemen van het proefwerk lees je mee. Denk je dat iets niet klopt, dan noteer je dit met POTLOOD op je leeg blaadje.

  • Wanneer we klaar zijn met het doornemen van het proefwerk, kan je de vraag stellen bij mijn bureau. 

  • Tip: check of de punten goed zijn opgeteld (behaalde punten / 3,7= cijfer).

Slide 13 - Slide

Wat te doen?!
  • Heb je na de toetsinzage nog een vraag (opgeschreven op je papiertje), dan stel je deze bij mijn bureau.

  • Heb je geen vraag? Ga dan verder met de huiswerkvragen van paragraaf 5.1.

  • Huiswerkdeadline paragraaf 5.1 --> maandag 7 april.
  • Klaar? Ga verder met het lezen en maken van paragraaf 5.2


Slide 14 - Slide

Deadlines komende periode!

Slide 15 - Slide

Het leenstelsel (feodale stelsel)
  • Karel de Grote kon zijn land niet alleen besturen.
  • Daarom kreeg hij hulp van vazallen: mannen die met hem meevochten
  • Zijn trouwste vazallen kregen als beloning ieder een gebied in leen. 
  • Zij mochten dit namens hem besturen: zij werden zijn leenmannen.
  • Het leenstelsel heet ook wel: feodalisme

Slide 16 - Slide

Het feodale stelsel of het leenstelsel

Slide 17 - Slide

Slide 18 - Video

Slide 19 - Video

De leenman
De leenheer:
Karel de Grote
Het leen (de grond) dat de leenman 'in leen' krijgt.
De vier plichten van een leenman:
  • Hij moest trouw zweren aan de koning; 
  • Hij moest zijn gebied besturen en er recht-spreken;
  • Hij moest jaarlijks belasting aan de koning betalen; 
  • Als er oorlog was in het Rijk, moest hij met zijn eigen soldaten meevechten in het leger van de koning.
De leenman zweert trouw aan zijn leenheer, Karel de Grote.

Slide 20 - Slide

Bestuur
  • Karel reisde veel rond in zijn rijk, hier zette hij grote tenten neer en later paleizen (Nijmegen, Aken)
  • Veel burgers zagen hem, hierdoor kon hij zijn gezag laten zien. 
  • Het land was te groot om door één persoon te laten besturen, Karel deelde het dus op.
  • Hertogen en graven (hoge edelen) kregen stukken land om te besturen.  Ze werden leenmannen, Karel was hun leenheer.
  • Macht werd erfelijk!

Slide 21 - Slide

Het Frankische Rijk valt uiteen
  • Het rijk werd na de dood van Karel de Grote en zijn zoon Lodewijk de Vrome steeds meer verdeeld en verdeeld en verdeeld...
  • De edelen die deze gebieden bestuurden, 'vergaten soms maar even' dat zij dit gebied offcieel nog steeds in leen hadden van hun leenheer!
  • Of ze leenden het weer verder uit aan achterleenmannen...

Slide 22 - Slide

Na 814
  • Na dood Karel de Grote viel het Frankische rijk uiteen
  • West- en Oost-Frankische rijk.
  • Erfelijke macht zorgde ervoor dat rijke families aan de macht bleven 

Slide 23 - Slide

Onrustige tijden
  • 9e en 10e eeuw waren onrustig
  • Europa was dunbevolkt
  • Steden werden soms gepluderd door Noormannen/vikingen.
  • Gevolg: bouw kastelen/burchten om bevolking te beschermen
  • Edelen namen soldaten: ridders in dienst die de koning trouw zworen.
  • Na 1100 kon niet iedereen ridder worden, alleen als je van adel was. 

Slide 24 - Slide

793
  • De eerste bekende plundering van de Vikingen was die van het klooster van Lindisfarne in Engeland
  • Dit was het begin van de Vikingplundertochten.

Slide 25 - Slide

Viking/Noorman?
  • Viking
  • Op viking gaan
  • Rooftochten door Europa
  • Noormannen
  • De boeren/bewoners van Zuid-Scandinavië

Slide 26 - Slide

Burcht
  • Verstevigde plek 
  • Bevolking kon zich terugtrekken
  • Plek waar waardevolle zaken werden opgeslagen

Slide 27 - Slide

Ridders
  • Ridders waren in dienst voor edelen om te zorgen voor de veiligheid

  • Eerst waren ridders soldaten uit de legers van ridders

  • Vanaf 1100 mochten alleen edelen ridders worden



Slide 28 - Slide

Ridders: 
Ridders hadden: 
  1. Een lans/zwaard
  2. Maliënkolder
  3. Paard
  4. Stijgbeugels.

Slide 29 - Slide

1500 
v. Chr.
1000 
v. Chr.
500 
v. Chr.
1
500
1000
1500
2000
2050
Sleep de iconen naar de juiste plek in de tijdlijn.

Slide 30 - Drag question

Wat is een goed voorbeeld
van een leenstelsel?
A
De koning bestuurt zijn land helemaal in zijn eentje.
B
De koning heeft ministers die hem advies geven over het bestuur van zijn land.
C
De koning heeft niets te zeggen over het bestuur van zijn land.
D
De koning heeft zijn land in twintig stukken verdeeld. Ieder stuk wordt bestuurd door een vriend van hem.

Slide 31 - Quiz

Op deze afbeelding uit de dertiende eeuw
belooft een leenman trouw aan Karel de Grote.

Is deze uitspraak goed of fout?
Karel de Grote wordt nu de leenheer van de leenman
A
Goed
B
Fout

Slide 32 - Quiz

Slide 33 - Video

Zelfstandig werken

  • Start maken aan huiswerkvragen 5.1 en nakijken 3 vragen van introductie;

  • Klaar? Verder werken aan 5.2

Slide 34 - Slide