Kapitel 4, Lektion 1.5

Guten Tag
1. Pak je boek, schrift en pen.
2. Pak je laptop maar houd hem dicht.
1 / 24
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 24 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Guten Tag
1. Pak je boek, schrift en pen.
2. Pak je laptop maar houd hem dicht.

Slide 1 - Slide

Planung von heute
1. Wiederholung "Werkwoorden met stam op -a en -e"
                                    (20 Minuten)
2. Lektion 1.5 introduzieren
3. Aufgabe 3 
4. Aufgabe 4 und 5
                                     (20 Minuten)
5. Schluss

Slide 2 - Slide

Hoe werk je via LessonUp?
- Bij open antwoorden ga je niet je antwoorden heel lang maken.

- Je zit ook de hele tijd op LessonUp. 
Geen andere apps open.

- Geen geluidjes


- Op het lesplein. Ik haal je op

Slide 3 - Slide

Wiederholung
Sterke werkwoorden met stam op -a en -e
Seite 35!
Wat je moet weten
1. Hoe vervoeg ik een werkwoord?
2. Bij welke persoonlijke voornaamwoorden verandert er iets?
3. Waar verandert de "a" of "e" in?
4. Wat gebeurt er bij het voltooid deelwoord?

Slide 4 - Slide

1. Hoe vervoeg ik een werkwoord?
stam
ich                     +e
du                      +st
er/sie/es         +t
wir                     +en
ihr                      +t
sie/Sie             +en
lachen
ich lache
du lachst
er/sie/es lacht
wir lachen
ihr lacht
sie/Sie lachen

Slide 5 - Slide

2. Wanneer verandert er iets?
Bij sterke werkwoorden met -a of -e in de stam verandert er iets.
ich fahre
du fährst
er/sie/es fährt
wir fahren
ihr fahrt
sie/Sie fahren




Alléén bij
du en
er/sie/es
verandert er iets

Slide 6 - Slide

3. Waar verandert de 'a' en 'e' in?
Vraag aan jullie!

Slide 7 - Slide

Waar verandert de "a" in?

Slide 8 - Open question

Waar verandert de "e" in? 2 antwoorden mogelijk

Slide 9 - Open question

3. Waar verandert de 'a' en 'e' in?

De "a" verandert in een ä
De "e" verandert in een i of ie
Alleen bij du en er/sie/es


fahren
ich fahre
du fährst
er/sie/es fährt
wir fahren
ihr fahrt
sie/Sie fahren

Slide 10 - Slide

Hoe zeg je: 'Wij rijden'?
A
Wir fahrt
B
Wir fahren
C
Wir fähren
D
Wir fährt

Slide 11 - Quiz

3. Waar verandert de 'a' en 'e' in

De "a" verandert in een ä
De "e" verandert in een i of ie
Alleen bij du en er/sie/es

nehmen
ich nehme
du nimmst
er/sie/es nimmt
wir nehmen
ihr nehmt
sie/Sie nehmen

Slide 12 - Slide

Hoe zeg je: "Hij geeft"

A
Er gebt
B
Er geben
C
Er giben
D
Er gibt

Slide 13 - Quiz

Slide 14 - Slide

Hoe zeg je "Hij spreekt"
A
Er sprecht
B
Er sprechen
C
Er spricht
D
Er sprichen

Slide 15 - Quiz

Let op!
Er wäschst seine Kleidung
Die Mutter wäschst seine Kleidung
Peter wäschst seine Kleidung

Sie waschsen ihre Kleidung
Die Kinder waschen ihre Kleidung
Peter, Sue und Marc waschen ihre Kleidung

Slide 16 - Slide

4. Wat gebeurt er bij het voltooid deelwoord?
Ik heb gelopen
Ich bin gelaufen

Ik heb gesproken
Ich habe gesprochen

Slide 17 - Slide

Slide 18 - Slide

Lektion 1.5
Wörter besprechen
Seite 53

Slide 19 - Slide

Frau Twickler
Herr de Vries
Herr van Duivenboden
Herr Greidanus
Herr Atsma/Kool
Herr Bakker
Deutsch
Religion
Physik
Französisch
Mathematik
Sport

Slide 20 - Drag question

Aufgabe 3 
Übersetze (vertaal) die Wörter

Seite 39


timer
2:30

Slide 21 - Slide

Aufgabe 4
Seite 39
Onderstreep de fouten! Unterstreich die Fehler!

1 Stunde = 1 uur
Doppeltstunde = blokuur

Slide 22 - Slide

Aufgabe 5
Seite 40

1. Stunde = 1ste uur, de eerste les

Slide 23 - Slide

Schluss
Wie begrijpt de stam op -a en -e al beter?

Morgen:
- Herhaling "blauwe kaart"
- Aufgabe 6 und 4

Slide 24 - Slide