Talent 3.7 Atheneum - Grammatica ZD: naamwoordelijk gezegde

3.7 grammatica zinsdelen
Naamwoordelijk gezegde
1 / 31
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

This lesson contains 31 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

Items in this lesson

3.7 grammatica zinsdelen
Naamwoordelijk gezegde

Slide 1 - Slide

Leerdoelen
In deze paragraaf leer je:
hoe je het naamwoordelijk gezegde (NG) vindt.
- je herkent koppelwerkwoorden (KWW) in een zin
- je herkent het naamwoordelijk (ND) in een zin
- je kunt het naamwoordelijk gezegde benoemen (NG)

Slide 2 - Slide

werkwoordelijk gezegde
Wat was dat ook alweer?

Slide 3 - Mind map

De zinsdelen gezegdes
  • werkwoordelijk gezegde (WG): iemand doet iets
  • naamwoordelijk gezegde (NG): iemand is iets





Slide 4 - Slide

Zinsdelen
Een zin heeft óf een werkwoordelijk gezegde
óf een naamwoordelijk gezegde

Slide 5 - Slide

werkwoordelijk gezegde: doe-werkwoorden
naamwoordelijk gezegde: werkwoorden die een toestand/staat van zijn uitdrukken 

Slide 6 - Slide

naamwoordelijk gezegde: Deze hebben een koppelwerkwoord als PV: 
We kennen 9 koppelwerkwoorden

Slide 7 - Slide

koppelwerkwoorden
zijn, worden, schijnen
blijven, blijken, lijken,
dunken, heten, vorkomen

Slide 8 - Slide

Slide 9 - Video

voorbeeldzin met NG
Het naamwoordelijk gezegde | blijkt | moeilijk.
PV=blijkt
NWG= blijkt moeilijk
OW=Het naamwoordelijk gezegde

Slide 10 - Slide

Naamwoordelijk gezegde
Heeft het belangrijkste werkwoord geen duidelijke betekenis? Dan is er een aanvulling nodig die iets zegt over het onderwerp. In die aanvulling staat meestal een zelfstandig of bijvoeglijk naamwoord. Het gezegde heet daarom een naamwoordelijk gezegde (ng).

Slide 11 - Slide

Naamwoordelijk gezegde
Een koppelwerkwoord koppelt het onderwerp aan het naamwoordelijk deel:
Ik | ben | leraar op een middelbare school.
De aanvulling die iets zegt over het onderwerp = leraar op een middelbare school
koppelwerkwoord = ben
naamwoordelijk deel (ND) = leraar op een middelbare school
naamwoordelijk gezegde (KWW + ND) = ben leraar op een middelbare school

Slide 12 - Slide

De belangrijkste koppelwerkwoorden zijn: worden, zijn en blijven.
Kun je het koppelwerkwoord in de zin vervangen door een ander koppelwerkwoord, dan heb je zeker te maken met een naamwoordelijk gezegde:
Ik ben / word / blijf / leraar op een middelbare school.
Ik lijk / blijk / schijn / leraar op een middelbare school te zijn.

Slide 13 - Slide

Klaas woont in Hardinxveld-Giessendam
A
naamwoordelijk gezegde
B
werkwoordelijk gezegde

Slide 14 - Quiz

Joke en Fatma zijn gelukkig.
A
naamwoordelijk gezegde
B
werkwoordelijk gezegde

Slide 15 - Quiz

Het team heeft nog nooit verloren.
A
naamwoordelijk gezegde
B
werkwoordelijk gezegde

Slide 16 - Quiz

Het team is kampioen
A
naamwoordelijk gezegde
B
werkwoordelijk gezegde

Slide 17 - Quiz

Onze trainer is 35 jaar geworden
A
naamwoordelijk gezegde
B
werkwoordelijk gezegde

Slide 18 - Quiz

Edo blijft nog even bij Dylan.
A
naamwoordelijk gezegde
B
werkwoordelijk gezegde

Slide 19 - Quiz

Naamwoordelijk gezegde
Werkwoordelijk gezegde
Het onderwerp doet iets 
Het onderwerp is iets.

Slide 20 - Drag question

Werkwoordelijk gezegde
Naamwoordelijk gezegde
Ik was in mijn dromen een piraat.

Slide 21 - Drag question

Werkwoordelijk gezegde
Naamwoordelijk gezegde
Ik was een piraat

Slide 22 - Drag question

Werkwoordelijk gezegde
Naamwoordelijk gezegde
Die hond is een gevaarlijke hond!

Slide 23 - Drag question

Werkwoordelijk gezegde
Naamwoordelijk gezegde
Jesper is naar het circus geweest 

Slide 24 - Drag question

Werkwoordelijk gezegde
Naamwoordelijk gezegde
Wanneer is hij naar Groningen verhuisd?

Slide 25 - Drag question

Werkwoordelijk gezegde
Naamwoordelijk gezegde
Haar broer schijnt met een zaklamp

Slide 26 - Drag question

Werkwoordelijk gezegde
Naamwoordelijk gezegde
Peter is later huisarts geworden

Slide 27 - Drag question

Werkwoordelijk gezegde
Naamwoordelijk gezegde
Mijn zusje is piloot geworden

Slide 28 - Drag question

Werkwoordelijk gezegde
Naamwoordelijk gezegde
Haar broer schijnt met een zaklamp.

Slide 29 - Drag question

Ik begrijp het naamwoordelijk gezegde.
😒🙁😐🙂😃

Slide 30 - Poll

Maken
H3.7 (grammatica zinsdelen)
opdracht 1  3, 4, 5, 6, 7, 9, 10 (2+8 niet!)

11-12-13 opdrachten bewaren we nog even om later te oefenen!

Slide 31 - Slide