Pincode H4 herhaling

Pincode H4 herhaling
1 / 37
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 37 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Pincode H4 herhaling

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Hoe noem je het kopen van goederen en het gebruiken van diensten door consumenten?
A
Produceren
B
Investeren
C
Consumeren
D
Ondernemen

Slide 2 - Quiz

This item has no instructions

Wat is produceren?
Kies de beste omschrijving.
A
Het verkopen van diensten aan consumenten
B
Het ontvangen van loon voor goederen en diensten
C
Het maken van goederen en diensten door bedrijven voor anderen
D
Het kopen van producten en diensten.

Slide 3 - Quiz

This item has no instructions

Wat is zelfvoorziening?
A
Werken voor een loon
B
Diensten aanbieden aan bedrijven
C
Zelf producten maken voor eigen gebruik
D
Goederen kopen voor anderen

Slide 4 - Quiz

This item has no instructions

Welk woord staat op stippellijn 3?
A. Goederen en diensten
B. Salaris
C. Inkomen
D. Arbeid

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Welk woord hoort op stippellijn 3?
A
Goederen en diensten
B
Salaris
C
Inkomen
D
Arbeid

Slide 6 - Quiz

This item has no instructions

Wat ontvangen consumenten voor hun arbeid?
A
Huur
B
Loon
C
Goederen
D
Diensten

Slide 7 - Quiz

This item has no instructions

Wat zijn de vier productiefactoren?
A
Kapitaal, arbeid, natuur, ondernemerschap
B
Grondstoffen, machines, energie, winst
C
Kapitaal, grondstoffen, machines, winst
D
Kapitaal, arbeid, omzet, winst

Slide 8 - Quiz

This item has no instructions

Wat zijn kapitaalgoederen?
A
Ondernemers die risico nemen
B
Natuurproducten zoals hout
C
Machines, gebouwen en gereedschappen
D
Werknemers van het bedrijf

Slide 9 - Quiz

This item has no instructions

Wat doet de ondernemer in het productieproces?
A
Voert het werk zelf uit
B
Betaalt de verkoopprijs
C
Combineert productiefactoren efficiënt
D
Levert grondstoffen aan

Slide 10 - Quiz

This item has no instructions

Wat is de functie van een bedrijfskolom?
A
Berekent de winst van een product
B
Verkoopt producten aan consumenten
C
Toont de stappen van grondstof tot eindproduct
D
Geeft informatie over werknemers

Slide 11 - Quiz

This item has no instructions

Hoe bereken je de toegevoegde waarde van een producent in een bedrijfskolom?
A
Verkoopprijs min inkoopprijs
B
Inkoopprijs plus verkoopprijs
C
Verkoopprijs min productiekosten
D
Afzet keer verkoopprijs

Slide 12 - Quiz

This item has no instructions

Wat is voorbeeld van een dienstverlenend bedrijf?
A
Fietsenwinkel
B
Autofabriek
C
Thuisbezorgd

Slide 13 - Quiz

This item has no instructions

Wat is een voorbeeld van een handelsonderneming?
A
Fietsenwinkel
B
Autofabriek
C
Thuisbezorgd

Slide 14 - Quiz

This item has no instructions

Een bakkerij produceert broden. Vorig jaar bakten de 5 bakkers samen 2.500 broden per week.
Wat was de arbeidsproductiviteit per bakker per week?
A
250 broden
B
500 broden
C
2.500 broden
D
12.500 broden

Slide 15 - Quiz

This item has no instructions

Vorig jaar bakten de 5 bakkers samen 2.500 broden per week. Dit jaar is de arbeidsproductiviteit gestegen met 10%.
Wat is dit jaar de arbeidsproductiviteit per bakker per week?
A
2750 broden
B
500 broden
C
550 broden
D
50 broden

Slide 16 - Quiz

This item has no instructions

Hoe bereken je arbeidsproductiviteit?
A
Productie / aantal medewerkers
B
Aantal medewerkers / productie

Slide 17 - Quiz

This item has no instructions

Arbeidsproductiviteit gaat omhoog door o.a. mechanisatie.
Wat is mechanisatie?
A
Vervangen van arbeidskrachten door machines
B
Gebruik van robots in de industrie
C
Automatisering
D
Een bedrijf dat robots en machines verkoopt

Slide 18 - Quiz

This item has no instructions

Wat is de arbeidsproductiviteit?
A
Hoeveel producten per tijdseenheid gemaakt worden
B
Aantal werknemers in een bedrijf

Slide 19 - Quiz

This item has no instructions

Wat is de inkoopwaarde van de omzet?
A
Kosten voor personeel
B
Huur van het pand
C
Bedrag voor ingekochte producten
D
Alle overige kosten samen

Slide 20 - Quiz

This item has no instructions

Wat zijn bedrijfskosten?
A
Lonen, huur en energiekosten
B
Productiekosten
C
Inkoopwaarde van de omzet
D
Winst van de onderneming

Slide 21 - Quiz

This item has no instructions

Hoe noem je de kosten die afhangen van de omvang van de productie of de verkoop?
A
Constante kosten
B
Variabele kosten
C
Inkoopwaarde van de omzet
D
Bedrijfskosten

Slide 22 - Quiz

This item has no instructions

Een producent maakt 20.000 scharen per jaar. Zijn kosten:
* huur € 40.000 per jaar
* loonkosten € 6.000 per maand.
* variabele kosten per schaar: € 1.
Bereken de kostprijs van een schaar.
A
€ 2,30
B
€ 3,30
C
€5,60
D
€ 6,60

Slide 23 - Quiz

This item has no instructions

Een schoenenwinkel betaalt aan huur € 45.000 per jaar en aan loonkosten € 20.000 per maand. De variabele kosten per paar schoenen zijn € 50. Bereken de totale kosten voor een maand waarin 350 paar schoenen worden verkocht. Kies het juiste antwoord
A
€ 37500
B
€ 47500
C
€52500
D
€ 57500

Slide 24 - Quiz

This item has no instructions

TechStore betaalt in een jaar € 8.500 aan rente voor een lening. Het rentepercentage is 7,5%. Welk bedrag heeft dit bedrijf geleend?
A
€133.333,33
B
€135.000
C
€130000

Slide 25 - Quiz

This item has no instructions

De verkoopprijs van een tablet is € 350 inclusief 21% btw. Bereken de verkoopprijs exclusief btw.

Slide 26 - Open question

350 : 1,21 = €289,26.
Welke omschrijving past bij het begrip brutowinst?
A
Brutowinst is de omzet min de bedrijfskosten
B
Brutowinst is de bedrijfskosten min de omzet.
C
Brutowinst is de inkoopwaarde min de bedrijfskosten
D
Brutowinst is de omzet min de inkoopwaarde van de omzet

Slide 27 - Quiz

This item has no instructions

Inkoopwaarde € 34.500,-. Omzet € 59.000,-. Lonen € 10.000,-. Overige kosten € 8.000,-.
Hoe groot is de nettowinst?
A
€ 6.500,-
B
€ 16.500,-
C
€ 26.500,-
D
€ 71.390,-

Slide 28 - Quiz

This item has no instructions

Zonder brutowinst kan een bakker of slager nooit nettowinst maken.

A
Juist
B
Onjuist

Slide 29 - Quiz

This item has no instructions

Wat zijn afschrijvingskosten?
A
Kosten voor het kopen van nieuwe machines
B
Kosten door waardevermindering van productiemiddelen
C
Kosten voor energieverbruik
D
Kosten voor werknemerssalarissen

Slide 30 - Quiz

This item has no instructions

Een fabriek koopt een nieuwe machine voor €150.000.
Na 5 jaar heeft de machine nog een restwaarde van €15.000. Hoe hoog zijn de jaarlijkse afschrijvingskosten?
A
€ 3.000 per jaar
B
€ 15.000 per jaar
C
€ 27.000 per jaar
D
€ 30.000 per jaar

Slide 31 - Quiz

This item has no instructions

Hieronder zie je vier kosten van een elektronicawinkel. Horen de kosten bij de inkoopwaarde van de omzet of zijn het bedrijfskosten?
a. voorraad laptops
b. huur winkelpand
c. voorraad koptelefoons
d. marketingkosten

Slide 32 - Open question

This item has no instructions

Een bedrijf verkoopt 4.000 producten tegen een verkoopprijs van € 12.
Welke opmerking over afzet en omzet is juist?
A
De omzet is 4.000
B
De omzet is € 4000
C
De afzet is 4.000
D
De afzet is € 48.000

Slide 33 - Quiz

This item has no instructions

De kostprijs van een product is €10. De verkoopprijs is € 14. Hoeveel is de winstmarge op dit product?
A
1,4%
B
40%
C
71%
D
100%

Slide 34 - Quiz

This item has no instructions

Een fietsfabrikant verkoopt elektrische steps voor € 750, exclusief btw. De fabrikant rekent een brutowinstmarge van 65% van de kostprijs.
Bereken de kostprijs van een elektrische step.

Slide 35 - Open question

Verkoopprijs = kostprijs + winstmarge
De verkoopprijs is € 750 en de winstmarge is 65% van de kostprijs.
Verkoopprijs = 165%
Kostprijs = € 750 ÷ 165 × 100 = € 454,55
Telefoonwinkel GSM verkocht afgelopen maand 250 smartphones voor de verkoopprijs van € 599,00 inclusief 21% btw. De inkoopwaarde van de smartphones was € 399,00 exclusief 21% btw. De bedrijfskosten bedroegen in dezelfde maand € 2.500. Bereken de nettowinst van deze maand.

Slide 36 - Open question

Omzet = 250 × €495,04 (excl. btw) = €123.760,33
Inkoop = 250 × €399 = €99.750
Nettowinst =
€123.760,33 - €99.750 - €2.500 = €21.510,33
Wat is een productieonderneming?

Slide 37 - Open question

This item has no instructions