This lesson contains 43 slides, with interactive quizzes and text slides.
Lesson duration is: 45 min
Items in this lesson
Toets 2B H5 Beweging
Slide 1 - Slide
Slide 2 - Slide
Carla traint voor een hardloopwedstrijd. Op een dag loopt ze een afstand van 36 km. Daar doet ze drie uur over.
1 a.Geef de formule voor de berekening van de gemiddelde snelheid.
Slide 3 - Open question
Carla traint voor een hardloopwedstrijd. Op een dag loopt ze een afstand van 36 km. Daar doet ze drie uur over.
1 b. Bereken de gemiddelde snelheid van Carla.
Slide 4 - Open question
Carla traint voor een hardloopwedstrijd. Op een dag loopt ze een afstand van 36 km. Daar doet ze drie uur over.
1 c. Reken deze snelheid om naar meter per seconde.
Slide 5 - Open question
Slide 6 - Slide
Auto’s hebben twee kreukelzones. 4a. Geef in de afbeelding op het antwoordenblad aan waar de kreukelzones van de auto zitten. Vul het woord 'werkblad' in als antwoord bij Lessonup
Slide 7 - Open question
Auto’s hebben twee kreukelzones. 4 b.Waarom heeft een auto kreukelzones?
Slide 8 - Open question
Slide 9 - Slide
Shelley loopt het Pieterpad. Het pad loopt van Noord-Groningen tot Zuid-Limburg. Shelley loopt gemiddeld 4 km/h. Het pad is 488 km lang. Bereken hoelang Shelley onderweg is.
Slide 10 - Open question
Een motorrijder ziet dat een auto voor hem stopt. Hij remt zo snel mogelijk. De motor staat pas na 38 meter stil. De remweg van de motorrijder was 26 meter. Bereken hoe lang zijn reactie-afstand was. Schrijf ook je berekening op.
Slide 11 - Open question
Airbags zorgen dat een auto bij een aanrijding minder beschadigd raakt.
A
Waar
B
Niet waar
Slide 12 - Quiz
Autogordels hoef je alleen voor in de auto te dragen.
A
Waar
B
Niet waar
Slide 13 - Quiz
Jenny rijdt met een snelheid van 17 km/h. Isha fietst 7 m/s. Jenny fietst sneller dan Isha.
A
Waar
B
Niet waar
Slide 14 - Quiz
Als je appt op je fiets, is je reactietijd korter.
A
Waar
B
Niet waar
Slide 15 - Quiz
Tijdens een autorit is de snelheid steeds anders.
A
Waar
B
Niet waar
Slide 16 - Quiz
De snelheid van een auto kun je aflezen op de kilometerteller.
A
Waar
B
Niet waar
Slide 17 - Quiz
Een eenheid voor snelheid is: meter per seconde.
A
Waar
B
Niet waar
Slide 18 - Quiz
Bij een versnelde beweging wordt de snelheid groter.
A
Waar
B
Niet waar
Slide 19 - Quiz
Als je vaak moet stoppen, wordt je gemiddelde snelheid lager.
A
Waar
B
Niet waar
Slide 20 - Quiz
De snelheid van een raket zou je kunnen opschrijven met de eenheid kilometer per seconde.
A
Waar
B
Niet waar
Slide 21 - Quiz
Iemand die alcohol heeft gedronken, heeft een langere reactietijd.
A
Waar
B
Niet waar
Slide 22 - Quiz
De remweg is alleen afhankelijk van je snelheid.
A
Waar
B
Niet waar
Slide 23 - Quiz
Stopafstand = reactie-afstand + remweg
A
Waar
B
Niet waar
Slide 24 - Quiz
Als het profiel van je banden glad is, is de reactie-afstand groter dan bij banden met een diep profiel.
A
Waar
B
Niet waar
Slide 25 - Quiz
Als je op een roltrap staat die draait, is de beweging versneld.
A
Waar
B
Niet waar
Slide 26 - Quiz
Een airbag beschermt je nek als je van achteren wordt aangereden.
A
Waar
B
Niet waar
Slide 27 - Quiz
Bij een vertraagde beweging leg je dezelfde afstand steeds in een kortere tijd af.
A
Waar
B
Niet waar
Slide 28 - Quiz
De reactie-afstand hangt alleen af van de reactietijd.
A
Waar
B
Niet waar
Slide 29 - Quiz
Op een natte weg is je remweg groter.
A
Waar
B
Niet waar
Slide 30 - Quiz
In welke eenheid wordt de snelheid van een auto aangegeven?
A
Kilometer per uur
B
Kilometer per seconde
C
Meter per seconde
D
Meter per uur
Slide 31 - Quiz
Tom gaat met zijn ouders op vakantie. De afstand is 200 km. Ze doen er vier uur over om op de plaats van bestemming te komen. Tom rekent uit: 200 : 4 = 50 Wat heeft Tom uitgerekend?
A
Gemiddelde snelheid
B
Grootste snelheid
C
Kleinste snelheid
D
Veiligste snelheid
Slide 32 - Quiz
Hoe noem je een beweging waarvan de snelheid kleiner wordt?
A
Ingehouden beweging
B
Langzame beweging
C
Stoppende beweging
D
Vertraagde beweging
Slide 33 - Quiz
Hoe komt het dat de remweg van een vrachtwagen langer is dan die van een auto?
A
Een vrachtwagen heeft een groter lengte
B
Een vrachtwagen heeft een grotere massa
C
Een vrachtwagen heeft een slechter contact met de weg
D
Een vrachtwagen heeft slechtere remmen
Slide 34 - Quiz
Welke bewering over de reactietijd is goed?
A
Als je drugs of alcohol hebt gebruikt, is je reactietijd langer.
B
Als je goed op het verkeer let, is je reactietijd langer.
C
Als je vermoeid bent, is je reactietijd korter dan wanneer je fit bent.
D
Als je ouder bent, is je reactietijd korter dan wanneer je jonger bent.
Slide 35 - Quiz
Hans rijdt in een auto. Een andere auto botst van voren tegen hem aan. Wat kan er met Hans gebeuren als hij de veiligheidsgordel niet om heeft?
A
Hij kan naar achteren schieten
B
Hij kan uit zijn stoel vliegen
C
Hij schuift opzij tegen de deur
Slide 36 - Quiz
Een vrachtwagen rijdt met een gemiddelde snelheid van 60 km/h om een vracht af te leveren. Hij doet 8 uur over deze reis. Hoeveel kilometer heeft de vrachtwagen afgelegd tijdens deze reis?
A
360 km
B
420 km
C
480 km
D
860 km
Slide 37 - Quiz
Nick fietst naar de slager. Hij trekt op nadat hij moest wachten voor een spoorwegovergang. Welk soort beweging maakt Nick dan?
A
Beweging met constante snelheid
B
Versnelde beweging
C
Vertraagde beweging
Slide 38 - Quiz
Welke bewering over veiligheidsmaatregelen in een auto is juist?
A
Bij een botsing houdt de hoofdsteun je hoofd tegen als dat naar voren klapt.
B
Bij een botsing staat een auto sneller stil door de kreukelzone.
C
Bij een botsing wordt de airbag langzaam vol geblazen met lucht.
D
Bij een botsing wordt de klap op je lichaam kleiner door de autogordel.
Slide 39 - Quiz
Slide 40 - Slide
Afbeelding 1
Slide 41 - Slide
In afbeelding 1 zie je een fietser en een scooter. Je ziet ze als ze bij jou voorbijrijden (0 s) en 1 seconde later. Wie heeft de grootste snelheid?