Examenteksten Leesstrategieën Duits

M4 Leesstrategieën
Lernziel:
Ich kann Lese-Strategien nutzen.
1 / 33
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolvmbo t, havo, vwoLeerjaar 4-6

This lesson contains 33 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

M4 Leesstrategieën
Lernziel:
Ich kann Lese-Strategien nutzen.

Slide 1 - Slide

Vorbereitung
De komende weken:
- Woordenboek
- Samengestelde woorden 
- Leesstrategieën
- Vraagsoorten
- Woordenschat/Signaalwoorden
- OEFENEN, OEFENEN, OEFENEN

Slide 2 - Slide

leesstrategie...
... Lees de alinea eerst orienterend;
...je activeert je voorkennis; wat weet je al over het onderwerp?
... je leest vervolgens de alinea eerst globaal;
... en scant de tekst....
...let op verwijswoorden!!






Slide 3 - Slide

Voorspellen
Kijk naar titel, plaatjes, onderschriften, tussenkopjes en of opvallende woorden. 

Slide 4 - Slide

Skimmen
De tekst snel en globaal doorlezen. 

Bij korte teksten: 
kijk naar de eerste en laatste zin van de alinea (ELZA-methode).
Bij lange teksten: lees de inleiding en eerste en laatste zin van de volgende alinea's. 

Slide 5 - Slide

Scannen
Voorbeeld: je moet opzoeken hoeveel een ticket kost.

Je scant de tekst om een bepaald stukje informatie te vinden. Je leest dus selectief. Als je op zoek bent naar maar één bepaald gegeven, maak je gebruik van scannen. 

Slide 6 - Slide

Voorkennis gebruiken
Door het gebruik van voorkennis
kun je eventueel gebrek
aan woordkennis compenseren.
Je kunt de tekst dus begrijpen
zonder dat je alle (moeilijke) woorden
moet kennen of opzoeken. 

Slide 7 - Slide

Structuur ontdekken en gebruiken

Je moet verbanden tussen delen van een tekst kunnen herkennen en aangeven. Denk hierbij aan conclusies, opsommingen, voorbeelden, verwijzingen etc. Hierbij zijn de signaalwoorden erg belangrijk! 

Slide 8 - Slide

Intensief (gedetailleerd lezen)
Een (korte) tekst of een gedeelte intensief lezen om de vraag te kunnen beantwoorden. 
De tekst: uitpluizen, verbanden ontdekken en leggen. 

Slide 9 - Slide

Woordbetekenissen raden / afleiden
Woordenboek gebruiken is handig, maar kost heel veel tijd!
 
  • Lijkt het woord op het Nederlands of Engels?
  • Spreek het woord in gedachten uit. 
  • Hak het woord in stukjes.
  • Kijk naar de context waarin de zin staat. 

Slide 10 - Slide

Kurzer Text
Langer Text
Scantext
Lückentext

Slide 11 - Drag question

A Combinatievraag
Let op de drie leesstrategieën: globaal, gericht en intensief lezen.




Was sind Kombinationsfragen?
Het eindexamen Duits bestaat uit teksten met verschillende soorten vragen. Eén van die vraagsoorten is de combinatievraag. Hierbij moet je dingen met elkaar combineren. Je moet bijvoorbeeld tussenkopjes of beschrijvingen met de juiste alinea matchen.
Strategien für Kombinationsfragen
Aufgabe 2
Aufgabe 2 Seite 80

Lees de inleiding en beantwoord de vragen.
Aufgabe 3
Aufgabe 3 Seite 81 und 82

Lees de volgende examenvraag. Bekijk examentekst 1 en lees de tip.
Aufgabe 5
Aufgabe 5 Seite 84 und 85

a) Lees de Strategien Combinatievraag. Vul eventueel de samenvatting van de strategieën aan met je eigen strategie.

b) Lees de examenvraag, bekijk examentekst 3 en maak de opdracht met behulp van de Strategien Combinatievraag. Bepaal welke strategieën jij gebruikt.

c) Welke strategieën heb je toegepast?

Slide 12 - Slide

B Kort-aantwoordvraag
Let op de drie leesstrategieën: globaal, gericht en intensief lezen.




Was sind Kurzantwortfragen?
Bij een kort-antwoordvraag worden er geen keuzemogelijkheden voor de antwoorden gegeven. Dit soort vragen worden altijd in het Nederlands gesteld en je moet ze bijna altijd ook in het Nederlands beantwoorden. Soms wordt er gevraagd een paar woorden uit de tekst over te schrijven. Dit doe je natuurlijk wel in het Duits.
Bij kort-antwoordvragen wordt er vaak gevraagd naar een alineanummer of aantal, of je moet een woord of tekstgedeelte citeren zonder dit verder uit te leggen. Je hoeft dus niet echt zelf een antwoord te formuleren.
Strategien für Kurzantwortfragen
Aufgabe 7
Aufgabe 7 Seite 86

Lees de inleiding en beantwoord de vragen.
Aufgabe 8
Aufgabe 8 Seite 87 und 88

a) Lees de volgende examenvraag. Bekijk examentekst 4 en lees de tip.

b) Nu ga je de tekst scannen op Duitse woorden die met eerste hulp, ongelukken en kinderen te maken hebben. Welke cursusnummers zijn dat? Noteer ze.

c) Lees die titels nog eens nauwkeurig. Maak dan je keuze en vul het juiste antwoord in.
Aufgabe 9
Aufgabe 9 Seite 88

Lees de volgende examenvraag. Bekijk examentekst 5 en beantwoord de vraag.
Aufgabe 12
Aufgabe 12 Seite 91 und 92

a) Lees de Strategien Kort-antwoordvraag. Vul eventueel de samenvatting van de strategieën aan met je eigen strategie.

b) Lees de volgende examenvragen. Bekijk examentekst 8 en beantwoord de examenvragen met behulp van de Strategien Kort-antwoordvraag. Bepaal welke strategieën jij gebruikt.

c) Welke strategieën heb je toegepast? 

Slide 13 - Slide

C. Samenvattingsvragen
Let op de vier leesstrategieën: 
oriënterend lezen, voorkennis activeren, globaal lezen en/of scannen,
woordenboek gebruiken.


Was sind "Samenvattingsvragen"?
Kort komt het erop neer dat je de kern uit een tekst moet kunnen halen. Een samenvattingsvraag is meestal in het Duits geformuleerd. Je moet globaal lezen om de belangrijkste informatie eruit te filteren. Je leest vervolgens nauwkeurig om zo precies te weten wat er staat.
Strategien für ''Samenvattingsvragen''
Let op: deze vraag komt ongeveer 10x in een gemiddeld examen voor.
Dit is 25% van het hele examen.
Strategieën: oriënterend lezen, voorkennis activeren, globaal lezen en/of scannen, woordenboek gebruiken.

Hoe: let op woorden uit alinea en titel; ELZA (eerste en / of laatste alinea lezen; belangrijke passagen markeren, daarna pas nauwkeurig lezen

Slide 14 - Slide

D Beweringsvraag
Let op de drie leesstrategieën: globaal, gericht en intensief lezen.




Was sind Behauptungsfragen?
Een beweringenvraag is een vraag waarbij je van een aantal beweringen over een alinea of tekst moet aangeven of ze wel of niet juist zijn. De vraag wordt vaak gesteld bij een korte tekst.
Lees de hele tekst of alinea waarover de vraag gaat globaal door. Ga dan per bewering op zoek naar de passage waar het antwoord staat. Lees deze passage nog eens goed en ga na of de bewering wel of niet klopt. Kruis dit aan op het antwoordblad. Doe daarna hetzelfde met de volgende bewering.
Strategien für Behauptungsfragen
Aufgabe 20
Aufgabe 20 Seite 100

Lees de inleiding en beantwoord de vraag.
Welke van de volgende vragen is een beweringenvraag?
Aufgabe 21
Aufgabe 21 Seite 101

a) Lees de volgende examenvraag. Bekijk examentekst 12 en lees de tip.
b) Scan de alinea op woorden die met de beweringen te maken hebben. Noteer ze.
c) Als het goed is, heb je de volgende zinnen genoteerd. Lees die zinnen nog eens nauwkeurig. Maak dan je keuze en vul per bewering het juiste antwoord in.
Aufgabe 22
Aufgabe 22 Seite 102

Lees de theorie en maak de opdracht.
Aufgabe 23
Aufgabe 23 Seite 102 und 103

Lees de volgende zinnen uit examenteksten en geef bij elke zin aan, wat de onderstreepte woorden betekenen. Omschrijf het met niet … of wel … zoals in het voorbeeld.

Slide 15 - Slide

E. Gatenvragen
Let op de vier leesstrategieën: 
voorkennis activeren, scan de alinea, orïenterend lezen, globaal lezen


signaalwoorden=verbindingswoorden
Wat zijn gatenvragen?
In een gatentekst wordt een woord of woordgroep weggelaten. Je kunt vaak kiezen uit 3 of 4 woorden. Je moet goed kijken naar de context waarin het woord moet staan. Het moet logisch in de tekst passen. Voorspel aan de hand van de gegeven woorden. Let ook op signaalwoorden in de tekst!
strategieën voor gatenvragen
Let voor al op signaalwoorden zoals ''trotzdem, auch, weil, aber"
Strategieën: oriënterend lezen, voorkennis activeren, globaal lezen en/of scannen, woordenboek gebruiken.

Hoe: let op woorden uit alinea en titel; ELZA (eerste en / of laatste alinea lezen; belangrijke passagen markeren, daarna gedetailleerd

Slide 16 - Slide

F Functievraag
Let op de drie leesstrategieën: globaal, gericht en intensief lezen.




Was sind Funktionsfragen?
Een tekst bestaat uit een inleiding, een middenstuk en een slot. Deze opbouw geeft de tekst structuur. De tekstdelen zijn verdeeld in alinea’s. Dat maakt de tekst overzichtelijker. Elke alinea heeft binnen de tekst een functie. Deze functie geeft je informatie over het verband tussen de alinea’s. Alinea’s kunnen bijvoorbeeld iets uitleggen, een voorbeeld geven of iets tegenspreken. Alinea’s komen vaak voor in vaste ‘paren’. Zo volgt op een beschrijving van een probleem in de volgende alinea meestal een oplossing.
Strategien für Funktionsfragen
Aufgabe 34
Aufgabe 34 Seite 113

Lees de inleiding en beantwoord de vraag.
Maak de vaste paren compleet.
Aufgabe 35
Aufgabe 35 Seite 114 und 115

Lees examentekst 19 globaal door en beantwoord de vragen.
Aufgabe 36
Aufgabe 36 Seite 115

Hieronder zie je een aantal veelvoorkomende functies van alinea’s. Verbind de Duitse woorden met de juiste betekenis.
Aufgabe 38
Aufgabe 38 Seite 117 und 118

Lees de examenvraag. Bekijk examentekst 21 en beantwoord de vraag met behulp van de Strategien Functievraag. Bepaal welke strategieën jij gebruikt.

Slide 17 - Slide

G. Citeervraag
Let op de vier leesstrategieën: 
voorkennis activeren, scan de alinea, orïenterend lezen, globaal lezen


signaalwoorden=verbindingswoorden
Wat zijn citeervragen?
Bij een citeervraag moet er gezocht worden naar een citaat, waarbij je soms alleen 2 beginwoorden van een zin moet citeren waarin het antwoord staat.
Kijk dus altijd goed naar de aanhalingstekens, waartussen citaten staan: "......"
strategieën voor citeervragen
Zoek altijd naar het precieze antwoord, namelijk het citaat. Een citaat moet je letterlijk overnemen.

Slide 18 - Slide

H. Lang-antwoordvragen
Let op de vijf leesstrategieën:
oriënterend, voorkennis activeren, globaal lezen, scannen en signaalwoorden zoeken


Wat zijn lang-antwoordvragen?
Bij lang-antwoordvragen geef je een uitgebreid antwoord.
Lang-antwoordvragen zijn van het type open vragen, waarbij een antwoord moet worden gegeven in het Nederlands en waarbij er eisen aan het antwoord worden gesteld (hele zinnen formuleren, minstens .... punten noemen, etc.)
Strategieën voor lang-antwoordvragen
Reserveer tijd voor dit antwoord, want het duurt wat langer dan dat je gewend bent van de andere vragen.
Probeer je eigen mening alleen te geven als erom gevraagd wordt en leg het antwoord in eigen woorden uit.

Slide 19 - Slide

Lernziele:
  • Je kunt uitleggen wat een lange-antwoord-vraag is;
  • Je kunt uitleggen wat een inhoudsvraag is;
  • Je weet welke leesstrategieën je nodig hebt om deze vragen te beantwoorden
  • Je weet wat verwijswoorden zijn;
  • Je bent in staat om signaalwoorden te herkennen 

Slide 20 - Slide

Lernziele:
  • Je kunt uitleggen wat een functievraag is;
  • Je weet welke leesstrategieën je nodig hebt om een functievraag te beantwoorden 
  • Je bent in staat om signaalwoorden te herkennen en het verband aan te geven

Slide 21 - Slide

Lernziele:
  • Je kunt uitleggen wat een gatenvraag is;
  • Je weet welke leesstrategieën je nodig hebt om een gatenvraag te beantwoorden 
  • Je bent in staat om signaalwoorden te herkennen en het verband aan te geven

Slide 22 - Slide

leesstrategie...
... eerst lees je de tekst globaal;
... dan ga je in de tekst zoeken naar de passage waar het antwoord staat;
... deze passage lees je goed door 

Slide 23 - Slide

Lernziele:
  • Je kunt uitleggen wat een gaten vraag is;
  • Je weet welke leesstrategieën je nodig hebt om een gatenvraag te beantwoorden 
  • Je bent in staat om signaalwoorden te herkennen en het verband aan te geven

Slide 24 - Slide

Neue Kontakte- Examensprint
Op Examensprint kun je:
- hele examens oefenen
- leesstrategieën oefenen 
- examenidioom oefenen
- verschillende vraagsoorten oefenen

Slide 25 - Slide

Soorten leesstrategiën
  • voorspellen
  • voorkennis gebruiken
  • structuur van de tekst ontdekken / gebruiken
  • skimmen
  • scannen / selectief lezen
  • gedetaillieerd lezen 
  • woordbetekenissen afleiden of raden

Slide 26 - Slide

Veelvoorkomende examenvragen top 10

Slide 27 - Slide

Vertaal:
Welcher Titel passt zum 5. Absatz?

Slide 28 - Open question

Vertaal: Welche Aussage über ... ist richtig? (Einleitung und 1. Absatz)

Slide 29 - Open question

Vertaal:
Was macht der 3. Absatz deutlich?

Slide 30 - Open question

Was sollen die Zeilen zum Ausdruck bringen?

Slide 31 - Open question

Wie schließt dieser Satz an den vorhergehenden Satz an?

Slide 32 - Open question

Hast du das Lernziel erreicht?
Ich kann Lese-Strategien nutzen.

😒🙁😐🙂😃

Slide 33 - Poll