mesomerie

mesomerie
{demoproef}
1 / 13
next
Slide 1: Slide
ScheikundeVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 5

This lesson contains 13 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 70 min

Items in this lesson

mesomerie
{demoproef}

Slide 1 - Slide

cyclohexeen 
Teken de Lewisstructuren
methylbenzoaat

Slide 2 - Slide

Startvraag:
Waarom heeft cyclohexeen een andere reactiviteit dan methylbenzoaat?

Slide 3 - Open question

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Slide

Slide 8 - Slide

Wat is mesomerie?
A
Het verschijnsel waarbij een molecuul meerdere Lewisstructuren kan hebben die alleen verschillen in de plaatsing van elektronenparen.
B
Het verschijnsel waarbij een molecuul geen vaste structuur heeft.
C
Het verschijnsel waarbij een molecuul meerdere structuren heeft die verschillen in de plaatsing van atomen.
D
Het verschijnsel waarbij een molecuul geen elektronen bevat.

Slide 9 - Quiz

Welke van de volgende moleculen vertoont mesomerie?
A
Methaan (CH₄)
B
Benzeen (C₆H₆)
C
Ethaan (C₂H₆)
D
Propaan (C₃H₈)

Slide 10 - Quiz

Wat is een grensstructuur in de context van mesomerie?
A
Een structuur die de ruimtelijke opstelling van atomen in een molecuul weergeeft.
B
Een van de mogelijke Lewisstructuren die samen de mesomere toestand van een molecuul beschrijven.
C
De structuur van een molecuul met de hoogste energie.
D
De structuur van een molecuul met de laagste energie.

Slide 11 - Quiz

Waarom is benzeen (C₆H₆) stabieler dan verwacht op basis van zijn structuur?
A
Vanwege de aanwezigheid van enkelvoudige bindingen.
B
Vanwege de aanwezigheid van dubbele bindingen.
C
Vanwege de delokalisatie van elektronen over de ringstructuur, wat resulteert in mesomerie.
D
Vanwege de afwezigheid van bindingen tussen koolstofatomen.

Slide 12 - Quiz

Hoe beïnvloedt mesomerie de reactiviteit van een molecuul?
A
Het maakt het molecuul reactiever.
B
Het heeft geen invloed op de reactiviteit.
C
Het stabiliseert het molecuul, waardoor het minder reactief wordt.
D
Het destabiliseert het molecuul, waardoor het meer reactief wordt.

Slide 13 - Quiz