This lesson contains 44 slides, with interactive quizzes and text slides.
Items in this lesson
Maatschappijleer H3
+ ministers kabinet Schoof en politieke partijen
Slide 1 - Slide
Politieke partijen
Slide 2 - Slide
Wie is dit?
A
Caroline de Vries
B
Caroline van den Berg
C
Caroline van der Plas
D
Caroline van Dijk
Slide 3 - Quiz
Bij welke partij hoort zij?
A
BBB
B
D66
C
VVD
D
SGP
Slide 4 - Quiz
Jimmy Dijk is de politieke leider van _____
A
PvdD
B
DENK
C
VOLT
D
SP
Slide 5 - Quiz
Wie is dit?
A
Rob Jetten, FvD
B
Joost Eerdmans, JA21
C
Rob Jetten, D66
D
Joost Eerdmans, NSC
Slide 6 - Quiz
Welk van deze partijen is GEEN christelijke partij?
A
CU
B
SP
C
SGP
D
CDA
Slide 7 - Quiz
Welke partij is niet echt?
A
PVV
B
AFA
C
FvD
D
DENK
Slide 8 - Quiz
Wie is de politieke leider van GroenLinks/PvdA?
A
Frans Spijkermans
B
Frans Brandweermans
C
Frans Billemans
D
Frans Timmermans
Slide 9 - Quiz
Van welke politieke partij is deze persoon de leider?
A
CU
B
SGP
C
VVD
D
DENK
Slide 10 - Quiz
Welk van deze afkortingen klopt NIET?
A
CDA: Christen-Democratisch Appèl
B
NSC: Nieuw Sociaal Contract
C
GroenLinks/PvdA: Partij van de Activiteit
D
FvD: Forum voor Democratie
Slide 11 - Quiz
Kabinet Schoof
Slide 12 - Slide
Welk van deze partijen zit NIET in kabinet Schoof?
A
NSC
B
SGP
C
PVV
D
VVD
Slide 13 - Quiz
In welke partij zit deze minister?
A
NSC
B
PVV
C
VVD
D
BBB
Slide 14 - Quiz
Hoe heet deze minister?
A
Harmen Kroon
B
Folkert de Lange
C
Arend Wisse
D
Eppo Bruins
Slide 15 - Quiz
Hoeveel ministers van de PVV zitten in kabinet Schoof?
A
2
B
3
C
4
D
5
Slide 16 - Quiz
Wat hebben deze twee ministers gemeen?
A
Ze zitten allebei in de BBB
B
Hun namen beginnen allebei met een F
C
Ze zijn allebei een vicepremier
D
Ze zitten allebei in de VVD
Slide 17 - Quiz
Welk van deze ministers zit NIET in de NSC?
A
Eddy van Hijum
B
Marjolein Faber
C
Casper Veldkamp
D
Judith Uitermark
Slide 18 - Quiz
Hoeveel ministers zitten er in totaal in kabinet Schoof (inclusief Schoof zelf)?
A
16
B
17
C
11
D
12
Slide 19 - Quiz
Op welke dag trad kabinet Schoof aan?
A
15 augustus 2024
B
2 juli 2024
C
29 december 2023
D
14 maart 2024
Slide 20 - Quiz
H3
Slide 21 - Slide
Wanneer spreken we van een autoritair regime?
A
Als burgers zo veel mogelijk invloed hebben op het bestuur
B
Als het parlement de hoogste macht heeft
C
Als er gebruik wordt gemaakt van een parlementaire democratie
D
Als alle macht in de handen is van één persoon of groep
Slide 22 - Quiz
Welk van deze hoort NIET bij een autoritair regime?
A
Geen machtenscheiding
B
Geen oppositiepartijen
C
Geen onafhankelijke rechters
D
Geen censuur
Slide 23 - Quiz
Welk van deze ideologieën hoort bij de volgende gedachte: "niet iedereen heeft gelijke kansen en mogelijkheden, maar wel is iedereen gelijkwaardig"?
A
Confessionalisme
B
Liberalisme
C
Socialisme
D
Populisme
Slide 24 - Quiz
Partijen kunnen links of rechts zijn, maar ook aspecten hebben van allebei. Hoe noemen we dat?
A
Het politieke midden
B
Het ideologische midden
C
Het algemene midden
D
Het centrale midden
Slide 25 - Quiz
Wat is het verschil tussen een actiegroep en een belangengroep?
A
Een belangengroep focust alleen op de belangrijkste doelen
B
Een actiegroep focust zich op één bepaald doel
C
Een belangengroep beslist mee met de politieke partijen
D
Een actiegroep verdedigt de belangen van één bepaalde groep
Slide 26 - Quiz
In Nederland worden alle uitgebrachte stemmen verdeeld over het totale aantal zetels. Hoe heet dit?
A
Relatief stemmenstelsel
B
Verhoudingsgewijze verkiezing
C
Evenredige vertegenwoordiging
D
Gedeeltelijke vertegenwoordiging
Slide 27 - Quiz
Wat doet een spindoctor?
A
Die zorgt voor de strategische communicatie van een campagne
B
Die helpt politici bij het opstellen van de verkiezingsstrategie
C
Die adviseert kandidaten over een zo positief mogelijk imago
D
Die opereert op spinnen
Slide 28 - Quiz
De kabinetsformatie begint direct na de Tweede Kamerverkiezingen, die in drie fasen verloopt: welke partijen willen en kunnen samenwerken, wie komen er in het kabinet, en _____
A
Wie worden de vicepremiers
B
Welke wetten wil het kabinet aanpassen
C
Hoeveel partijen zijn er nodig
D
Wanneer gaat het kabinet aan het werk
Slide 29 - Quiz
De oude ministers blijven in functie tot de vorming van een nieuw kabinet. Hoe heet dit?
A
Een demissionair kabinet
B
Een nutteloos kabinet
C
Een interim-kabinet
D
Een overgangskabinet
Slide 30 - Quiz
De Eerste en Tweede Kamer hebben vier rechten wat betreft hun hoofdtaken. Welk recht hoort hier NIET bij?
A
Het recht van goedkeuring
B
Het recht van initiatief
C
Het recht van interpellatie
D
Het recht van amendement
Slide 31 - Quiz
Als een wetsvoorstel is goedgekeurd door de Tweede Kamer, wordt het doorgegeven aan de Eerste Kamer. Wat mag de Eerste Kamer ermee doen?
A
Niks, ze controleren het wetsvoorstel alleen.
B
De wet opnieuw indienen voor stemming in de Tweede Kamer
C
Goedkeuren, afwijzen of veranderen
D
Alleen goedkeuren of afwijzen
Slide 32 - Quiz
Iedere bestuurslaag heeft zijn eigen taken. De precieze invulling van dit beleid gebeurt door de lagere overheden. Waarom? (2 antwoorden goed)
A
Lagere overheden zijn meer op de hoogte van regionale situaties
B
De nationale overheid heeft geen bevoegdheden op lokaal niveau
C
Lagere overheden hebben meer vrijheid in het toepassen van nationale wetten
D
Inwoners zijn dan meer betrokken bij de politiek
Slide 33 - Quiz
Hoe noemen we dit? (van de vorige vraag)
A
Centralisatie
B
Federalisme
C
Decentralisatie
D
Deconcentratie
Slide 34 - Quiz
De voorzitter van de Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten is _____
A
Pieter Konijn
B
de commissaris van de Koning
C
De minister-president
D
De voorzitter van de Tweede Kamer
Slide 35 - Quiz
Wie wordt er ook wel de vierde macht in de trias politica genoemd?
A
De media
B
Ambtenaren
C
Lobbyisten
D
Het Openbaar Ministerie
Slide 36 - Quiz
Wat is een lobbyist?
A
Iemand die politiek beïnvloedt via officiële rapporten en onderzoeken
B
Iemand die altijd in de lobby wacht
C
Iemand die namens een organisatie wetsvoorstellen schrijft
D
Iemand die persoonlijk contact zoekt met politici of ambtenaren
Slide 37 - Quiz
De media heeft 5 functies in de politiek. Welke functie is daar GEEN voorbeeld van?
A
Een informatieve functie
B
Een commentaarfunctie
C
Een representatieve functie
D
Een controlerende functie
Slide 38 - Quiz
Waar staat 'NAVO' voor?
A
Noord-Atlantische Veiligheidsorganisatie
B
Noord-Atlantische Vredesovereenkomst
C
Noord-Atlantische Verdragsorganisatie
D
Noord-Atlantische Vooruitgangsorganisatie
Slide 39 - Quiz
Wat is het dagelijks bestuur van de EU?
A
De Europese Commissie
B
De Europese Raad
C
Het Europees Parlement
D
De Europese Centrale Bank
Slide 40 - Quiz
Welke macht heeft dit dagelijks bestuur?
A
De wetgevende macht
B
De uitvoerende macht
C
De rechterlijke macht
D
Allemaal
Slide 41 - Quiz
Welk van deze landen heeft GEEN vetorecht?
A
Canada
B
De VS
C
China
D
Frankrijk
Slide 42 - Quiz
De NAVO is een intergouvernementele organisatie. Wat betekent dat?
A
Staten zijn verplicht om alle besluiten van de organisatie uit te voeren
B
Afzonderlijke staten moeten zich altijd houden aan de besluiten die worden genomen
C
De organisatie heeft het recht om besluiten op te leggen aan de lidstaten