Vraagwoorden

Vraagwoorden
1 / 51
next
Slide 1: Slide
NederlandsISK

This lesson contains 51 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 120 min

Items in this lesson

Vraagwoorden

Slide 1 - Slide

Welke vraagwoorden ken je al?

Slide 2 - Mind map

persoon

Slide 3 - Slide

Wie?
Wie is zij?
Wie zit naast jou?

Slide 4 - Slide

ding of dier

Slide 5 - Slide

Wat?
Wat heb je in je tas?
Wat lees je?

Slide 6 - Slide

plaats

Slide 7 - Slide

Waar?
Waar kom je vandaan?
Waar woon je?

Slide 8 - Slide

getal

Slide 9 - Slide

Hoeveel?
Hoeveel kinderen heb je?
Hoeveel pennen heb je?

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Slide

Wanneer?
Wanneer ga je naar school?
Wanneer heb je een afspraak?

Slide 12 - Slide

Welke manier

Slide 13 - Slide

Hoe?
Hoe ga je naar school?
andere situaties..
Hoe laat is het?
Hoe oud ben je?
Hoe duur zijn de tomaten?

Slide 14 - Slide

          Waarom?
                    Reden

Slide 15 - Slide

Waarom?
Waarom ben je te laat?
Waarom ben je moe?
Waarom ga je naar de dokter?

Slide 16 - Slide

Samenvatting:

Slide 17 - Slide

Wie ben jij?
Wat eet jij?
Waar woon jij?
Hoeveel pennen heb jij?
Wanneer heb jij een afspraak?
Hoe ga je naar school?
Waarom ben je boos?
Welke jas wil je?
persoon
ding
plaats
getal
tijd, datum, dag
welke manier
reden
kiezen

Slide 18 - Slide

Wie ben jij?
Wat eet jij?
Waar woon jij?
Hoeveel pennen heb jij?
Wanneer heb jij een afspraak?
Hoe ga je naar school?
Waarom ben je boos?
Welke jas wil je?
persoon
ding
plaats
getal
tijd, datum, dag
welke manier
reden
kiezen

Slide 19 - Slide

Hoe maak je een vraagzin?

Slide 20 - Slide

Na een vraagwoord komt bijna altijd een werkwoord.
Waar woon je?
Hoe gaat het?
Wie ben jij?

Slide 21 - Slide

... maar bij hoeveel en welke niet.
Hoeveel broers en zussen heb je?
Welke kleur vind je mooi?

Slide 22 - Slide

Opdracht: Zet de woorden op de goede volgorde.
hoe
heet
jij
?

Slide 23 - Drag question

Opdracht: Zet de woorden op de goede volgorde.
lezen
wat
?
jullie

Slide 24 - Drag question

Opdracht: Zet de woorden op de goede volgorde.
je
?
Waarom
ren

Slide 25 - Drag question

opdracht
Welke vraagwoorden gebruik je in de volgende vragen?

Slide 26 - Slide

Vraag: ...... ga je naar Amsterdam?
Antwoord: Ik ga met de trein naar Amsterdam.
A
Wie
B
Waar
C
Hoe
D
Hoeveel

Slide 27 - Quiz

Vraag: ......... koop je op de markt?
Antwoord: Ik koop twee kilo uien.
A
Wie
B
Hoe
C
Waar
D
Wat

Slide 28 - Quiz

Vraag: ......... koop je brood?
Antwoord: Je koopt brood bij de bakker.
A
Wie
B
Waar
C
Waarom
D
Wat

Slide 29 - Quiz

Vraag: ......... woont naast jou?
Antwoord: Naast mij woont mijn buurman.
A
Wie
B
Hoe
C
Waar
D
Wat

Slide 30 - Quiz

Vraag: ......... ga je naar de dokter?
Antwoord: Ik heb pijn in mijn voet
A
Hoeveel
B
Hoe
C
Waar
D
Waarom

Slide 31 - Quiz

Vraag: ......... werk je?
Antwoord: Ik werk op woensdag en vrijdag.
A
Wie
B
Waar
C
Wanneer
D
Wat

Slide 32 - Quiz

Vraag: ......... werk je?
Antwoord: Ik werk bij de Action.
A
Wie
B
Waar
C
Wanneer
D
Wat

Slide 33 - Quiz

Vraag: ......... zussen heb je?
Antwoord: Ik heb twee zussen.
A
Hoe
B
Hoeveel
C
Wat
D
Waarom

Slide 34 - Quiz

Maak in je schrift:
2 goede vragen met het vraagwoord Wie?

Slide 35 - Slide

Schrijf hier een goede vraag met het vraagwoord Wie?

Slide 36 - Open question

Maak in je schrift:
2 goede vragen met het vraagwoord Wanneer?

Slide 37 - Slide

Schrijf hier een goede vraag met het vraagwoord Wanneer?

Slide 38 - Open question

Maak in je schrift:
2 goede vragen met het vraagwoord Wat?

Slide 39 - Slide

Schrijf hier een goede vraag met het vraagwoord Wat?

Slide 40 - Open question

Maak in je schrift:
2 goede vragen met het vraagwoord Waar?

Slide 41 - Slide

Schrijf hier een goede vraag met het vraagwoord Waar?

Slide 42 - Open question

Maak in je schrift:
2 goede vragen met het vraagwoord Hoeveel?

Slide 43 - Slide

Schrijf hier een goede vraag met het vraagwoord Hoeveel?

Slide 44 - Open question

Maak in je schrift:
2 goede vragen met het vraagwoord Hoe?

Slide 45 - Slide

Schrijf hier een goede vraag met het vraagwoord Hoe?

Slide 46 - Open question

Maak in je schrift:
2 goede vragen met het vraagwoord Waarom?

Slide 47 - Slide

Schrijf hier een goede vraag met het vraagwoord Waarom?

Slide 48 - Open question

Maak in je schrift:
2 goede vragen met het vraagwoord Welke?

Slide 49 - Slide

Schrijf hier een goede vraag met het vraagwoord Welke?

Slide 50 - Open question

Nu gaan we verder met de papieren opdrachten.

Slide 51 - Slide