§5.3 Rekenen aan reactiesnelheid

§5.3 Reactiesnelheid (rekenen)
1 / 28
next
Slide 1: Slide
ScheikundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

This lesson contains 28 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Items in this lesson

§5.3 Reactiesnelheid (rekenen)

Slide 1 - Slide

wat weet je nog?
In de vorige les zijn de 5 factoren besproken die invloed hebben op de reactiesnelheid. Drie van deze factoren kun je op microniveau verklaren met het botsende deeltjes model.

Slide 2 - Slide

Wat is een effectieve botsing?
A
Een botsing van deeltjes waarbij geen reactie plaats vindt.
B
Elke botsing van deeltjes.
C
Een botsing van deeltjes die een reactie laat plaatsvinden.
D
Een botsing van deeltjes waarbij de kern splijt.

Slide 3 - Quiz

Welk van de vijf methoden om reactiesnelheid te beïnvloeden kan worden verklaard met het botsende deeltjes model?
A
Verdelingsgraad en katalysator
B
Soort stof, concentratie en temperatuur
C
Alle vijf de methodes kunnen worden verklaard met het botsende deeltjesmodel
D
Verdelingsgraad, concentratie en temperatuur

Slide 4 - Quiz

Vaak is een reactie aan het begin sneller dan aan het einde, hoe kan dit?
A
De katalysatorconcentratie is aan het begin hoger dan aan het einde van de reactie
B
De verdelingsgraad is aan het begin hoger dan aan het einde van de reactie
C
De temperatuur is aan het begin hoger dan aan het einde van de reactie
D
De concentratie reagerende stoffen is aan het begin hoger dan aan het einde van de reactie.

Slide 5 - Quiz

Twee identieke reacties worden uitgevoerd. Reactie 1 bij 50°C en reactie 2 bij 60°C. Leg uit aan de hand van het botsende deeltjes model welke reactie sneller verloopt.
A
Reactie 2 heeft een hogere temperatuur, dus sneller bewegende deeltjes, dus hardere botsingen, dus meer effectieve botsingen,per seconde dus een hogere reactiesnelheid.
B
Reactie 2 heeft een hogere temperatuur, dus meer deeltjes, dus hardere botsingen, dus meer effectieve botsingen per seconde, dus een hogere reactiesnelheid.
C
Reactie 1 heeft een lagere temperatuur, dus sneller bewegende deeltjes, dus hardere botsingen, dus meer effectieve botsingen per seconde, dus een hogere reactiesnelheid.
D
Reactie 1 heeft een lagere temperatuur, dus meer deeltjes, dus hardere botsingen, dus meer effectieve botsingen per seconde, dus een hogere reactiesnelheid.

Slide 6 - Quiz

Als een stof fijner is verdeeld, neemt de reactiesnelheid toe omdat
A
er meer deeltjes zijn, waardoor er meer effectieve botsingen per seconde zijn
B
de deeltjes sneller kunnen bewegen, waardoor er meer effectieve botsingen per seconde zijn
C
de deeltjes een groter contactoppervlak hebben, waardoor er meer effectieve botsingen per seconde zijn
D
er een groter contactoppervlak is, waardoor de kans op een botsing toeneemt

Slide 7 - Quiz

Lesdoelen
  • Je kunt snel uit een diagram de reactiesnelheid halen.
  • Je kunt snel de reactiesnelheid berekenen

Slide 8 - Slide

reactiesnelheid berekenen


Bij een experiment kun je meten hoe de concentratie van een stof verandert in de tijd. Uit deze diagrammen kun je de reactiesnelheid op één bepaald tijdstip of de gemiddelde reactiesnelheid van de gehele reactie berekenen

Slide 9 - Slide

Eenheid (gebruik Binas tabel 38)
De reactiesnelheid wordt uitgedrukt als
"het aantal mol stof dat per Liter in 1 seconde verdwijnt"
en heeft als eenheid "mol per Liter per seconde":
molL1s1

Slide 10 - Slide

Reactiesnelheid 
Voorbeeld: 2 NH3 --> N2 + 3 H2

  • Begin reactie 0 mmol H2
  • Lijn q geeft mmol H2 aan op einde reactie.
  • Reactiesnelheid begint hoog, neemt af in de tijd. Bij q is reactiesnelheid 0.

Slide 11 - Slide

grafiek
Als je in een grafiek de verandering van de concentratie (y-as) uitzet tegen de tijd (x-as), dan is de helling van de grafiek gelijk aan de reactiesnelheid

Slide 12 - Slide



Op tijdstip t is de reactie klaar. Welk diagram geeft de juiste weergave?
A
Diagram A
B
Diagram B
C
Diagram C
D
Diagram D

Slide 13 - Quiz

Wat is de werking van stof X?
A
Reactiemengsel afkoelen
B
Werkt als katalysator
C
Levert ook zuurstof
D
Verbruikt zuurstof

Slide 14 - Quiz

Hoe steiler de helling van de grafiek, des te ........
A
groter is de reactiesnelheid
B
kleiner is de reactiesnelheid

Slide 15 - Quiz

De betekenis van [ ... ]
  • als je in één liter water 1,5 mol C6H12O6 oplost
  • dan is de concentratie van deze glucose-oplossing 1,5 mol / L 

  •  in formule-taal genoteerd:     [C6H12O6] = 1,5 mol / L

Slide 16 - Slide

Reactiesnelheid berekenen uit een grafiek

Slide 17 - Slide

De reactiesnelheid kan op verschillende manieren worden gevraagd. Hier zie je manier 1:

Slide 18 - Slide

De reactiesnelheid kan op verschillende manieren worden gevraagd. Hier zie je manier 2:

Slide 19 - Slide

De reactiesnelheid kan op verschillende manieren worden gevraagd. Hier zie je manier 3:

Slide 20 - Slide

We bekijken de berekening aan de hand van de vorming van ammoniak uit waterstof en stikstof
VOORBEELD

Slide 21 - Slide

eerlijk vergelijken
Een reactie verloopt maar met één snelheid. Maar in de grafiek hiernaast zie je dat de grafiek voor elke stof een andere helling heeft. Dat komt door de molverhouding waarin de stoffen reageren: waterstof verdwijnt 3x zo snel als ammoniak ontstaat.

Slide 22 - Slide

Daarom moet je bij het berekenen van de reactiesnelheid rekening houden met de molverhouding. Je berekent de snelheid per 1 mol stof.   Je deelt dus door de coëfficiënt.           
VOORBEELD

Slide 23 - Slide

3. Gemiddelde reactiesnelheid
De vorming van HI (g) uit de niet-ontleedbare gasvormige stoffen H2 en I2.
Gegevens:  V = 5,0 L;       t = 80 sec;       n(HI)t80 =7,0 mol HI
  1. H2 (g) + I2 (g) --> 2 HI (g)
  2. sgem:  7,0/2 mol H2-gas = ∆n/∆t = 3,5/80 = 4,375.10-2 mol/sec
mol. L-1.s-1  =>
L.smol

Slide 24 - Slide

Reactiesnelheid bepalen
a. Bereken de reactiesnelheid tussen 0 en 80 minuten.

 
reactiesnelheid= 100 mL / 80 min
= 1,25 mL / min
= 1,25/60 =0,021 mL / s

Slide 25 - Slide

Reactiesnelheid berekenen
  • Gemiddelde reactiesnelheid
  • Naast mL s-1 kom je ook mol s-1 en mol L-1 s-1 vaak tegen.
     (welke eenheid is afhankelijk van de situatie)  



Slide 26 - Slide

Voorbeeld: 2 A (g) -> B (g)
Gegevens: [A] daalt in 8,40 minuten van 0,200 M naar 0,166 M.
Bereken de gemiddelde reactiesnelheid waarmee stof A wordt omgezet.

t = 8,40 min * 60 = 504 s
[A] = 0,200-0,166=0,034 M      
s (A)= 0,034 M / 504 s = 6,8 mol L-1 s-1 


Slide 27 - Slide

Voorbeeld: Mg + 2 H+ -> Mg2+ + H2
Bereken de gemiddelde reactiesnelheid tussen 10 en 20 seconden voor het ontstaan van H2. Geef je antwoord in mL s-1.

V= 67 - 42 = 25 mL
t = 20 - 10 = 10 s
s = 25 mL / 10 s = 2,5 mL s-1




    Slide 28 - Slide