Week 51 V5

Aufgabe von letzter Woche
Heb je laatst cadeautjes gekregen? Schrijf in twee zinnen op: 
- wat en van wie jij iets hebt gekregen;
- wat jij voor wie (en met wie) hebt gekocht. 

Ich habe bekommen.
Ich habe gekauft.

1 / 48
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3,4

This lesson contains 48 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Aufgabe von letzter Woche
Heb je laatst cadeautjes gekregen? Schrijf in twee zinnen op: 
- wat en van wie jij iets hebt gekregen;
- wat jij voor wie (en met wie) hebt gekocht. 

Ich habe bekommen.
Ich habe gekauft.

Slide 1 - Slide

Naamvallen - deel 3 
Was machen wir heute:
- Wiederholung der letzten beiden Stunden
- Genusregeln
- Wechselpräpositionen (keuzevoorzetsels)

Slide 2 - Slide

Was ist richtig?
A
Die Gesellschaft
B
das Gesellschaft
C
der Gesellschaft

Slide 3 - Quiz

Waarom?

Slide 4 - Open question

Was ist richtig?
A
Das Menschheit
B
die Menschheit
C
der Menschheit

Slide 5 - Quiz

Waarom?

Slide 6 - Open question

Welke regels over lidwoorden (Genusregeln) ken je? Schrijf op!

Slide 7 - Open question

Waarom is de kennis over de 'Genusreglen' zo belangrijk?

Slide 8 - Open question

Schreib die Tabellen auf
Possessivpronomen und Personalpronomen 1/3/4
ihr-         sein-             euer/eure         -euch
mich          Ihr-         uns       dich             mein-       
unser-              sie              Ihnen-      dein-
ihn       wir      ich          sie             ihnen    
ihm              er            es             
ihr

timer
3:00

Slide 9 - Slide

Besprich mit deinem Sitznachbarn!
Possessivpronomen und Personalpronomen 1/3/4
ihr-         sein-             euer/eure         -euch
mich          Ihr-         uns       dich             mein-       
unser-              sie              Ihnen-      dein-
ihn       wir      ich          sie             ihnen    
ihm              er            es             
ihr

timer
2:00

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Slide

Woche 51
Keuzevoorzetsels

Slide 13 - Slide

Lernziele

Am Ende der Stunde ...
... kan ik door middel van de juiste vraagstelling passende keuzevoorzetsels kiezen om een plaats of situatie te kunnen beschrijven.


Slide 14 - Slide

Wechselpräpositionen zijn keuzevoorzetsels. Hiernaast zie je de 9 voorzetsels waar het om gaat. 
 De 9 keuzevoorzetsels zijn: 
        an:                    aan
        auf:                  op
        hinter:            achter
        in:                     in
        neben:           naast
        über:               boven / over
        unter:             onder
        vor:                  voor
        zwischen:    tussen

Slide 15 - Slide

Je moet volgende vragen stellen: 

* Is het een situatie?/plek/ tijd
                .... dan 3e naamval
  b.v.   Der Hund schwimmt in dem Teich (m).
Der Mann schwimmt am Montag. (m)
 
* Is het een verandering van situatie?/beweging 
                 ... dan  4e naamval
  b.v.   Der Hund springt in den Teich (m).
   (der Teich = de vijver)

Slide 16 - Slide


De 7/2 regel
Soms kun je niet vragen of het een (verandering van) situatie is:  
Dan gaat bij deze voorzetsels de 7/2 regel in. Dat houdt in 
dat auf en über dan een 4e naamval krijgen, 
de overige 7 voorzetsels een 3e naamval .

 b.v. In diesem Fall (m) mit einem Dativ und
         auf jeden Fall mit einem Akkusativ.

Slide 17 - Slide


De 7/2 regel
Een voorbeeld
Er redet über mein..... Freundin.
   (Hij praat over mijn vriendin.)
Ich warte  auf d....... Bus. 
   (Ik wacht op de bus.)
Hier kun je niet vragen of het een situatie of een verandering van situatie is
Dus de 4e naamval. 
Er redet über meine Freundin.
Er wartet auf den Bus. 


Slide 18 - Slide


De 7/2 regel
Nog een voorbeeld
Der  Unterschied zwischen deinem  und meinem Hund (m) ist nicht groß.
      (Het verschil tussen jouw hond en mijn                  hond is niet zo groot.)
Das liegt nur an der Liebe (v). 
       (Het ligt aleen aan de liefde.)
Ook hier kun je niet vragen of het een situatie of een verandering van situatie is
Dus de 3e naamval. 
    net als bij: hinter, in, neben, unter, vor


Slide 19 - Slide

Slide 20 - Slide

Keuzevoorzetsels:
Welke vraag kun je stellen voor de 3e naamval?

Slide 21 - Open question

Keuzevoorzetsels:
Welke vraag kun je stellen voor de 4e naamval?

Slide 22 - Open question

Welke naamval krijg je als je GEEN antwoord kunt geven op de vraag of het een (verandering van) situatie is?

Slide 23 - Open question

Welcher Satz ist richtig geschrieben? Sleep de zin.
Dieser Satz ist richtig.
Dieser Satz ist leider falsch.
Der Ball rollt unter das Auto (o).
Die Kreditkarte liegt in das Hotelzimmer (o).
Ich wohne über dem Geschäft (o).
Ich lege die Zeitung auf dem Tisch (m).
Die Zeitung liegt noch auf dem Tisch (m).

Slide 24 - Drag question

Vul in.
Das Auto steht vor d...…. Garage(v).

Slide 25 - Open question

Antwoord + uitleg:
Vertaald: De auto staat vor d.... garage.
vor (voor) = keuzevoorzetsel
voor de garage staan geeft een situatie aan.
 Dus Dativ (3e nv) vrouwelijk.

Antwoord: Das Auto steht vor der Garage.

Slide 26 - Slide

Vul in.
Das Heft fällt auf d...…...Boden(m).

Slide 27 - Open question

Antwoord + uitleg:
Vertaald: Het schrift valt op de grond.
op = keuzevoorzetsel
op de grond vallen geeft een verandering van situatie aan:
Dus Akkustiv (4e nv) mannelijk.

Antwoord: Das Heft fällt auf den Boden.


Slide 28 - Slide

Das Buch liegt auf d... Tisch(m).
A
dem
B
den
C
der
D
das

Slide 29 - Quiz

Antwoord + uitleg:
Vertaald: Het boek ligt op de tafel.
op = keuzevoorzetsel
op de tafel liggen geeft een situatie aan.
 Dus Dativ (3e nv) mannelijk.

Antwoord: Das Buch liegt auf dem Tisch.

Slide 30 - Slide

Das Bild hängt an d.... Wand(v).
A
die
B
den
C
dem
D
der

Slide 31 - Quiz

Antwoord + uitleg:
Vertaald: De foto hangt aan de muur.
an (aan) = keuzevoorzetsel
aan de muur hangen geeft een situatie aan.
 Dus Dativ (3e nv) vrouwelijk.

Antwoord: Das Bild hängt an der Wand.

Slide 32 - Slide

Vul in.
Ich lege deinen Schlüssel auf d... Tisch(m).

Slide 33 - Open question

Antwoord + uitleg:
Vertaald: Ik leg jouw sleutel op de tafel.
auf (op) = keuzevoorzetsel
op de tafel leggen geeft een verandering van situatie aan:
Dus Akkustiv (4e nv) mannelijk.

Antwoord: Ich lege deinen Schlüssel auf den Tisch.


Slide 34 - Slide

Vul in.
Stehst du immer so lange vor d.... Spiegel (m)?

Slide 35 - Open question

Antwoord + uitleg:
Vertaald: Sta jij altijd zo lang voor de spiegel?
vor (voor) = keuzevoorzetsel
voor de spiegel staan geeft een situatie aan.
 Dus Dativ (3e nv) mannelijk.

Antwoord: Stehst du immer so lange vor dem Spiegel?

Slide 36 - Slide

Vul in.
Ich warte (voor de) Apotheke (v).

Slide 37 - Open question

Antwoord + uitleg:
Vertaald: Ik wacht voor de apotheek.
vor (voor) = keuzevoorzetsel
voor de apotheek wachten geeft een situatie aan.
 Dus Dativ (3e nv) vrouwelijk.

Antwoord: Ich warte vor der Apotheke (v).


Slide 38 - Slide

Vul in.
Mein Opa setzt sich (op de) Bank (v) im Park.

Slide 39 - Open question

Antwoord + uitleg:
Vertaald: Mijn opa gaat op de bank in het park zitten.
auf (op) = keuzevoorzetsel
op de bank gaan zitten is een verandering van situatie:
Dus Akkustiv (4e nv) vrouwelijk.

Antwoord: Mein Opa setzt sich auf die Bank (v) im Park.


Slide 40 - Slide

Vul in.
Ich habe Angst (voor deze) Spinnen (mv).

Slide 41 - Open question

Antwoord + uitleg:
Vertaald: Ik ben bang voor deze spinnen
vor (voor) = keuzevoorzetsel
bang zijn voor is GEEN (verandering van) situatie:
Dus 7/2-regel 
vor hoort bij de 7 voorzetsels: 3e nv, meervoud
Antwoord: Ich habe Angst vor diesen Spinnen(mv).


Slide 42 - Slide

Vul in.
Ich freue mich (op jullie) Besuch(m).

Slide 43 - Open question

Antwoord + uitleg:
Vertaald: Ik verheug me op jullie bezoek.
auf (op) = keuzevoorzetsel
sich freuen auf is GEEN (verandering van) situatie:
Dus 7/2-regel
auf hoort bij de 2 voorzetsels: 4e nv, mannelijk
Antwoord: Ich freue mich auf euren Besuch.


Slide 44 - Slide

CHECK

Vertaal volgende woorden en schrijf de hele zin op in de volgende slide:





Slide 45 - Slide

Er wartet lieber (achter het) Haus bis sie (in de) Garten kommt.

Slide 46 - Open question

Hausaufgaben
- LessonUp naamvallen deel 1, 2 en deel 3 goed bekijken een aantekeningen maken.
- Regels lidwoorden bekijken, aantekeningen maken en leren!
- Der-Gruppe und Ein-Gruppe (tabel begrijpen)
- Persoonlijk voornaamwoord en bezittelijk voornaamwoord kennen
- Voorzetsels 4e en 3e naamval
- Keuzevoorzetsels (lessonUp en aantekeningen goed doornemen)


Slide 47 - Slide

0

Slide 48 - Video