Workshop 1 - Start materie

Workshop 1 - Start 'Materie'
1 / 25
next
Slide 1: Slide
ScheikundeNatuurkunde+1Middelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2,3

This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Workshop 1 - Start 'Materie'

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

Tafel
water
warmte
CO2
geluid
cel

Slide 3 - Drag question

Wat is in de natuur het kleinste zelfstandige 'deeltje' dat je kent?


MC-niveau
2 minuten
Daarna is er een nabespreking!

Slide 4 - Slide

Laat hier 1 iemand van je mc jullie antwoord invoeren.

Slide 5 - Open question

Nabespreking
Deze les ligt de focus op:
  • Atomen & moleculen

De kleinste deeltje deze les:
  • Proton, neutron en elektron

Kleinste deeltje in natuur:
  • Voor nu 'quarks' (elementaire deeltjes)

Slide 6 - Slide

Op de agenda
  • Leerdoelen
  • Bouw standaard atoom
  • Verschil tussen atomen
  • Periodiek systeem
  • Atoom en molecuul
  • Tekening en formule
  • Oefeningen

Slide 7 - Slide

Leerdoelen
1.
Je kunt uitleggen wat een atoom is en waar een atoom uit is opgebouwd.
2.
Je kunt uitleggen wat een molecuul is. Je begrijpt molecuulformules en kan ze schrijven.
3.
Je kan uitleggen dat de wereld om ons heen bestaat uit verschillende stoffen die zijn opgebouwd uit atomen en moleculen. 
4.
Je kent van de lijst atomen (op IL) de naam en het symbool (de afkorting)
5.
Je kent van de lijst moleculen (op IL) de naam en het symbool (de afkorting)
6.
Je kunt uitleggen wat het periodiek systeem is en wat je in de tabel van het periodiek systeem kan zien/ aflezen. 
*
Begrippen: Stoffen, atoom, (proton, neutron, elektron, lading) molecuul, symbool, periodiek systeem, index, coëfficiënt

Slide 8 - Slide

Op welke schaal zijn we aan het kijken?
  • Stof: (zee)water
  • Moleculen: watermoleculen
  • Atomen: waterstof (H) en zuurstof (O)

We starten dus bij 'atomen'.

Slide 9 - Slide

Bouw atoom
Schil
  • Elektronen (-)
Kern
  • Protonen (+)
  • Neutronen (neutraal: 0. Zij verbinden de protonen)

Algemeen
  • + en - moet altijd in balans zijn. Aantal neutronen kan variëren.
  • Ander woord voor atoom = element

Slide 10 - Slide

Sleep naar de juiste plek:
Neutron
Elektron
Proton

Slide 11 - Drag question

Voorbeeld: Silicium
  • Elk atoom heeft dus een schil en een kern. 

  • Het aantal protonen in de kern, bepaalt welk atoom (element) het is. 

  • Meer protonen, betekent dus meer elektronen (want, evenwicht tussen +/-) 

Slide 12 - Slide

8 voorbeelden
  • H (van hydrogen) = waterstof (1 proton, 1 elektr)
  • He = Helium (2 protonen, 2 elektronen)
  • Li = Lithium (3 protonen, 3 elektronen)
  • Be = Berillium (4 protonen... enz.)
  • B = Boor 
  • C (van Carbon) = Koolstof 
  • N (van Nitrogen) = Stikstof 
  • O (van Oxygen) = Zuurstof 

Meer weten? Klik hier
      1             2              3            4
      5              6            7           8

Slide 13 - Slide

Het periodiek systeem
  • Overzicht van alle elementen.

  • Staan op volgorde van aantal protonen (en dus ook elektronen)

  • Vaak is een atoom een Hoofdletter, soms een hoofd- en kleine letter (H & He bijv.)

  • Kleuren geven groepen / soorten atomen aan. Nu minder belangrijk.

Slide 14 - Slide

Neon hoort bij het vraagteken. Hoeveel (a.) protonen en (b.) elektronen bevat neon?
A
a. 10 b. 20
B
a. 10 b. 5
C
a. 10 b. 10
D
a. 20 b. 10

Slide 15 - Quiz

Verschil atoom en molecuul
  • H, H, O = losse atomen
  • H2O = molecuul

  • Een molecuul bestaat dus uit meerdere atomen. 
  • Meestal zijn het verschillende atomen, soms zijn het dezelfde atomen. 

Twee voorbeelden
Water: H2O (verschillende atomen)
Ozon: O3 (dezelfde atomen)


Slide 16 - Slide

Een paar voorbeelden
Je kunt met H (waterstof), O (zuurstof) en C (koolstof) veel verschillende moleculen maken. 

Slide 17 - Slide

Maar, hoe lees je die 'molecuulformules' nou?
  • Index hoort bij het atoom dat er links van staat.
  • (EXPERT) Coëfficiënt zet je voor een geheel molecuul. Het is een vermenigvuldiger voor het gehele molecuul (dus ook de index).

Slide 18 - Slide

Hoeveel en welke atomen bevat het molecuul rechts?
A
4 maal Si, 4 maal Cl
B
1 maal Si, 4 maal Cl
C
1 maal Si, 1 maal C, 4 maal l
D
4 maal Si, 1 maal Cl

Slide 19 - Quiz

Hoeveel 'O' atomen zie je hier?
N₂O
Gebruik alleen cijfers.

Slide 20 - Open question

Hoeveel moleculen zie je rechts? Gebruik alleen cijfers.

Slide 21 - Open question

Hoeveel waterstofatomen zie je hier? Gebruik enkel getallen. (Expert)

Slide 22 - Open question

Hoeveel moleculen zie je hier? Gebruik enkel getallen. (Expert)

Slide 23 - Open question

Keuzemenu
1. Zelfstandig aan het werk met de opdrachten
2. Eerst oefenen met het bouwen van een atoom, dan aan de opdrachten
3. Eerst oefenen met het bouwen van een molecuul, dan aan de opdrachten
3. Herhaling/extra uitleg


Slide 24 - Slide

Ik heb nog vragen over:

Slide 25 - Open question