Via de ik-verteller maken we kennis met een apenmaatschappij. Daar komt hij terecht na op satirisch-sentimentele wijze zijn vrouw, het dienstmeisje, zijn paard en zijn hond te hebben laten verdrinken. Hij ontvlucht de mensenmaatschappij en belandt bij apen. Die bevolken een samenleving die in vele opzichten menselijk is: met vergaderen, een populariteitsstrijd onder machtshebbers, het beïnvloeden van stemgerechtigden en dergelijke, maar ook met onnozelheid en geilheid. Daarbij willen de apen het liefst van alles ook echt mensen worden. Volgens de ene partij kan dit alleen via innerlijke groei (wijsheid, eerlijkheid en deugd als dé ideale menselijke eigenschappen). De andere partij gelooft echter uitsluitend in uiterlijke aanpassing: het afhakken van de eigen staarten. Maar wie gaat nu zover om zichzelf uit vrije wil te verminken? Hoe ver reikt de invloed van politieke machtshebbers?