Zoogdieren: De mol

Zoogdieren

de mol
1 / 17
next
Slide 1: Slide
BiologieBasisschoolGroep 3-5

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Zoogdieren

de mol

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

Ja of nee?

Zoogdieren hebben een skelet
A
ja
B
nee

Slide 3 - Quiz

Ja of nee?

Zoogdieren komen uit een ei.
A
ja
B
nee

Slide 4 - Quiz

Is het een zoogdier?
ja
nee

Slide 5 - Drag question

Woordenweb
Wat weet je al over de mol?

Slide 6 - Slide

Ja of nee?

Zoogdieren zijn koudbloedig.
A
ja
B
nee

Slide 7 - Quiz

Een mol kan heel goed graven met zijn grote graafpoten. 
5
Een mol heeft een heel goede neus. 
4
Een mol heeft heel goede oren. Ze zitten onder zijn vacht. Er zit een klepje over de oren. Daardoor kan er geen grond inkomen. 
2
Een mol heeft een zachte, korte vacht. Er blijft geen grond in zitten. 
1
Met zijn snorharen kan een mol heel goed voelen. 
6
Je hebt onder de grond niets aan goede ogen. Daarom zijn de ogen van de mol maar heel klein. Ze zitten onder zijn vacht. 
3

Slide 8 - Slide

Dit eet een mol
regenwormen
duizendpoten
naaktslakken
insectenlarven

Slide 9 - Slide

Altijd nacht: Onder de grond
Mollen hebben maar weinig licht nodig.
Zij leven de meeste tijd in holen en gangen onder de grond, die ze zelf gegraven hebben.
Mollen zijn het gewend om onder de grond te leven.

Slide 10 - Slide

de mol en de worm

Slide 11 - Slide

Waar is de mol?
Je ziet mollen niet zo vaak. Toch zie je het meteen wanneer er in de tuin een mol is. Een mol gooit, als hij een gang graaft, een deel van de grond naar buiten. Er ontstaan dan kleine bergjes. Je noemt die bergjes molshopen.  

Slide 12 - Slide

Waarom denk je dat de poten van een mol naar de zijkant wijzen?

Slide 13 - Slide

Tyler
Ivy
Yusuf
Mats
Vincent
Kayleigh
Jilano
Sef
Amelia
Zoyaan
timon
Dorian
Erva
Imran
Claartje

Slide 14 - Slide

Wat hoort bij een mol? 
Mol

Slide 15 - Drag question

wat ga je doen?

  • Lees het stukje de tekst van WIKIKIDS over de mol
  • markeer het stukje waar je de vraag over gaat stellen
  • Bedenk met je groepje vier A,B,C,D vragen
  •  schrijf de antwoorden op het antwoordblad
timer
20:00

Slide 16 - Slide

Slide 17 - Slide