Why I love this book

Fictie
1 / 18
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 3

This lesson contains 18 slides, with text slides and 3 videos.

Items in this lesson

Fictie

Slide 1 - Slide

Vandaag
  • 15 minuten lezen in je boek.
  • Uitleg over de eindopdracht Fictie 
  • Talent 4.3 Lezen maken opdrachten

Slide 2 - Slide

Fictie afronden met een spreekopdracht
Why I love this book

Slide 3 - Slide

Je geeft in anderhalve minuut je mening over je boek:
  • Heeft het boek je aan het denken gezet? Geef argumenten.
  • Heeft het boek je geraakt? Hoe dan? Geef argumenten.
  • Wat was de mooiste scène? Leg uit.
  • Hoe was het eind? Onverwacht? Saai of spannend? Hoe kwam dat?
  • Welke open plekken?
Denk aan driedeling in je tekst:
  • originele beginzin
  • In de inleiding: schrijver en titel noemen en korte mening geven
  • midden: argumenten (zie hiernaast)
  • Gebruik ten minste twee van de begrippen uit de theorie.
  • Je moet zelf in beeld zijn.
  • Slot: argumenten samenvatten en slotzin!

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Video

Slide 6 - Video

Filmpje inleveren: Voor donderdag 8 juni, uiterlijk 20.00 uur.






via: WeTransfer of een andere uploaddienst
waarheen: het e-mailadres van je docent. NIET: slack

Slide 7 - Slide

Stappenplan: 
  1. Bedenk wat je wilt gaan zeggen
  2. Schrijf steekwoorden op
  3. Oefen, oefen, oefen
  4. Neem het filmpje op
  5. Check de tijd! 
  6. Check je achtergrond
  7. Laat je boek zien!

Slide 8 - Slide

beoordelingsmodel

Slide 9 - Slide

Wat kun je nog meer gebruiken in je filmpje?
Op de volgende slides vind je informatie over: personages, vertelperspectief, spanning, setting, open plekken, tijd, open of gesloten einde, enzovoort.

Let op: je gebruikt ten minste twee van dergelijke begrippen in je boekbespreking.

Slide 10 - Slide

Round character
Flat character 
  • Belangrijke persoon in een verhaal.
  • Moet meestal een probleem oplossen.
  • Verandert daardoor.
  • Lijkt een echte persoon.
  • Heeft een duidelijk karakter.
  • Omschrijf met eventueel citaat.
  • Loopt rond in het verhaal maar is niet belangrijk.
  • Je weet weinig van deze persoon.
  • Soms weet je de naam maar van zijn/haar karakter weet je nauwelijks iets.
  • Omschrijf en leg uit.

Slide 11 - Slide

Spanning in een verhaal
  • Je hebt vragen over de hoofdpersoon.
  • Er is een moord gepleegd. Wie heeft het gedaan?
  • Het is donker en slecht weer.
  • De personen vertrouwen elkaar niet.
  • Je krijgt informatie uit het verleden of de toekomst.
  • De schrijver speelt met tijd.
  • De schrijver gebruikt een cliffhanger. 
  • Gebruik van open plekken. Kijk naar het volgende filmpje!

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Video

Wat zijn open plekken?
  • Open plekken roepen bij de lezer vragen op. 
  • Informatie wordt achtergehouden of is tegenstrijdig.
  • Waarom gedraagt een persoon zich op een bepaalde manier?
  • Open plekken zorgen voor spanning. 
  • Dus: het zijn nog niet ingevulde stukken van een verhaal die je als lezer zelf moet invullen. (Manipulatietechnieken).

Slide 14 - Slide

Einde van verhaal: Open of gesloten?
  • Gesloten einde: alle vragen van de lezer zijn beantwoord.
  • Open einde: de lezer moet veel zelf bedenken. Niet alle vragen zijn beantwoord. 

Slide 15 - Slide

Waar kun je nog meer naar kijken in een verhaal?
  • Psychisch perspectief: Vanuit wie wordt het verhaal verteld. (blz.99 boek A).
  • Gebruik van tijd: flashback, flashforward, wisselingen tussen tijd.
  • Meerdere verhaallijnen in een boek. Waarom doet een schrijver dat? Komen ze bij elkaar?

Slide 16 - Slide

Tijd in verhalen 
  1. De tijd waarin een verhaal zich afspeelt.
  2. De vertelde tijd binnen een verhaal. 
(blz. 9 boek A)

Slide 17 - Slide

Talent
Lezen 4.3: opdracht 6 t/m 13 maken (9 niet) 

Uitleg op volgende dia's

Slide 18 - Slide