Oefentoets Tussen productie en verkoop

Tussen productie en verkoop
OEFENTOETS!
1 / 31
next
Slide 1: Slide
Tussen productie en verkoopMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 3

This lesson contains 31 slides, with interactive quizzes and text slide.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Tussen productie en verkoop
OEFENTOETS!

Slide 1 - Slide

Wat is een boerderijwinkel?
A
Een winkel die eruitziet als een boerderij
B
Een winkel op de boerderij
C
Een gewone winkel (supermarkt) in de buurt van een boerderij
D
Een boerderij

Slide 2 - Quiz

Waar of niet waar?
Natuurproducten zijn vaak beperkt houdbaar.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 3 - Quiz

Waarop staat alle informatie over een product (Voedsel)?

Slide 4 - Open question

Waar of niet waar?
Twee agrarische producten zien er altijd hetzelfde uit
A
Waar
B
Niet waar

Slide 5 - Quiz

Een bedrijf dat koopt van de vorige schakel noemen we een:
A
Aannemer
B
Afnemer
C
Verkoper
D
Consument

Slide 6 - Quiz

Ontwikkelingsfase
Uiterlijk
Grootte
Periode waarin een product op z'n best is. Rijp/vers.
Vorm en kleur
Producten moeten niet te groot of te klein zijn.

Slide 7 - Drag question

Detailhandel
Overige verkoopkanalen
Winkelketen
Boerderijwinkels
Marktverkopers
Webwinkels
Groothandel
Fabrikanten
Veiling

Slide 8 - Drag question

Welke stelling is NIET juist?
A
Met exporteren gaan producten van Nederland naar het buitenland
B
Met importeren komen producten van het buitenland naar Nederland
C
Wij importeren producten die niet in Nederland te kweken zijn
D
Wij importeren producten die in Nederland gekweekt worden

Slide 9 - Quiz

Klasse extra
Klasse 1
Klasse 2
Klasse 3

Slide 10 - Drag question

Wat is een Voorraadbeheersysteem?
A
Een papieren voorraadkaart waarop je kan bijhouden hoeveel producten er zijn
B
Een computersysteem dat bijhoudt hoeveel producten er worden ingekocht en verkocht

Slide 11 - Quiz

Producten die makkelijk beschadigen noemen we:
A
Moeilijk
B
Teer
C
Kwetsbaar
D
Beurs

Slide 12 - Quiz

Een winkel die grote producten als banken verkoopt, bewaart zijn voorraden in een:

Slide 13 - Open question

Als een klant een bestelling plaatst, noemen we dat een:
A
Besteller
B
Bestelopdracht
C
Pickorder
D
Pakbon

Slide 14 - Quiz

Kies het juiste. Na de bestelling spreek je dingen met de klant af:
A
Bezorgdatum + tijd
B
Vervoerskosten
C
Bezorgkosten
D
Vervoersmiddel

Slide 15 - Quiz

Hoe noemen we de bevestiging die de klant krijgt na het plaatsen van een bestelling?

Slide 16 - Open question

Wat wordt er bedoeld met "orderregels" op het orderformulier?
A
De regels die gemaakt zijn omtrent de bezorging
B
Alle producten die de klant besteld heeft
C
Afspraken over de bezorging
D
De productnummers

Slide 17 - Quiz

Van een bestelopdracht wordt een "Picklijst" gemaakt. Wat is dit?
A
Een ander woord voor pakbon
B
Een lijst met de gestolen goederen
C
Lijst met alle producten van de order

Slide 18 - Quiz

Wat betekent de besteleenheid
A
Hoe groot de verpakking is
B
Hoe vol de verpakking zit
C
Hoe veel er geleverd wordt

Slide 19 - Quiz

Wat betekent een order
A
Bestelling
B
Inkoop
C
Verkoop
D
Verzamelen

Slide 20 - Quiz

Je ziet een deel van een voorraadkaart

Aan het einde van welke dag moet je nieuwe voorraad bestellen, en hoeveel drakenriddersets moet je dan bestellen?
A
Op 23 maart moet je bestellen. Je bestelt dan 70 drakensets.
B
Op 23 maart moet je bestellen. Je bestelt dan 79 drakensets
C
Op 30 maart moet je bestellen. Je bestelt dan 100 drakensets
D
Op 30 maart moet je bestellen. Je bestelt dan 104 drakensets

Slide 21 - Quiz

Hoe noemen we het tellen van beschikbare producten?
A
Tellen
B
Inventariseren
C
Logistiek
D
Inkopen

Slide 22 - Quiz

Wat is de juiste volgorde van de productieketen?
A
fokkerij, detailhandel, slachterij, groothandel
B
fokkerij, vermeerderingsbedrijf, slachterij, consument
C
groothandel, slachterij, detailhandel, consument
D
fokkerij, slachterij, groothandel, detailhandel

Slide 23 - Quiz

Hoe ziet de productieketen eruit van appelsap?
A
Appels schillen, appels raspen/persen, etiketten maken , flessen vullen
B
Appels raspen/persen, flessen vullen, wassen
C
Etiketten plakken, wassen, schillen, persen, vullen
D
Appels schillen, etiketten maken, appels raspen, flessen vullen,

Slide 24 - Quiz

Wat zijn bulkgoederen?
A
Verpakte goederen in hoeveelheid
B
Onverpakt goederen in grootheid
C
Onverpakt goederen in kleinheid

Slide 25 - Quiz

Een steekproef bij geleverde producten noem je?
A
Monsterisatie
B
Ingangscontrole
C
Kwaliteitskweek
D
Voorschriftcontrole

Slide 26 - Quiz

Bedrijfskolom
Maak de bedrijfskolom kloppend.
Chocoladefabriek
Supermarkt
Importeur
Cacaoplantage
Groothandel

Slide 27 - Drag question

exportbedrijf
detailhandel
multinational
scheepvaartmaatschapij
groothandel

Slide 28 - Drag question

Bedrijfskolom
Hieronder staat een aantal bedrijven uit twee verschillende bedrijfskolommen. Zet ze in de juiste kolom. Bedrijfskolom 1 = Eten, Bedrijfskolom 2 = Kleding.
Bedrijfskolom 1
Bedrijfskolom 2
Aardappelboer
katoenimporteur
Chipsfabriek
 weverij
Supermarkt
textielfabriek
katoenplantage
 spinnerij
 herenmodezaak

Slide 29 - Drag question

Een etiket vertelt je hoe het product heet
Een etiket vertelt je welke ingredienten er in zitten

Een etiket vertelt je welke allergenen er in zitten

Een etiket vertelt je de naam van de producent

Een etiket vertelt je wat de voedingswaarde is.

Een etiket vertelt je hoe lang het houdbaar is

Een etiket vertelt je wat de partijcode is

Slide 30 - Drag question

Derwing
Administratieve voorraad
Werkelijk beschikbare voorraad
Het verlies van voorraad/
Het verschil in voorraad
Voorraad op papier of in het systeem
Voorraad die je telt

Slide 31 - Drag question