les 2 mensen met een verstandelijk beperking deel 3

Verstandelijke beperking deel III
1 / 37
next
Slide 1: Slide
WelzijnMBOStudiejaar 2

This lesson contains 37 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Verstandelijke beperking deel III

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Doelen van de les
- Herhalen stof verstandelijke beperking to nu toe
- Aan het eind van de les ken je de 5 meest voorkomende syndromen

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

bij de diagnose verstandelijke beperking wordt gekeken naar
A
IQ en EQ
B
cognitief functioneren, vaardigheden, diagnose onder 18
C
cognitieve ontwikkeling , hersenomvang
D
psychische stoornis, IQ en gezin

Slide 3 - Quiz

This item has no instructions

Tot welke functioneringsproblemen leidt een verstandelijke beperking?
A
Conceptuele vaardigheden
B
Sociale vaardigheden
C
Praktische vaardigheden
D
A, B en C zijn alle mogelijk

Slide 4 - Quiz

Een verstandelijke beperking:
zorgt voor functioneringsproblemen op verschillende gebieden:
  • Conceptuele vaardigheden: bv lezen en geldbegrip
  • Sociale vaardigheden: bv contacten leggen en verantwoordelijkheid
  • Praktische vaardigheden: bv ADL en huishouden
Ontstaat vóór het 18e levensjaar
Wanneer hersenletsel later in het leven ontstaat, spreken we van niet-aangeboren hersenletsel (NAH).

Niveau aanduiden (bij verstandelijk beperking) gebeurd op basis van:
A
intelligentie en ervaringsfase
B
intelligentie en probleem oplossend vermogen
C
intelligentie en EQ
D
intelligentie en sociale vaardigheden

Slide 5 - Quiz

This item has no instructions

De indeling van mensen met een verstandelijke beperkingen is als volgt
A
op basis van intelligentie
B
op basis van aanpassingsvermogen
C
op basis van gedrag
D
A en B zijn alleen juist

Slide 6 - Quiz

This item has no instructions

welke vormen bestaan er van verstandelijke beperking
A
zeer licht, licht, matig , ernstig
B
zeer licht, licht, ernstig, zeer ernstig
C
licht, matig, ernstig, zeer ernstig
D
licht, matig, ernstig, extreem heftig

Slide 7 - Quiz

This item has no instructions

is een verstandelijke beperking erfelijk?
A
lang niet altijd, maar soms wel
B
nee dat is nooit het geval
C
ligt aan de leeftijd
D
ja het is altijd erfelijk

Slide 8 - Quiz

This item has no instructions

Mensen met een autismespectrumstoornis hebben altijd een verstandelijke beperking.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 9 - Quiz

This item has no instructions

Heeft deze cliënt een verstandelijke beperking
A
ja
B
nee
C
nog niet voldoende info voor
D
ik weet het niet

Slide 10 - Quiz

This item has no instructions

oorzaken van een verstandelijke beperking zijn
A
Zuurstofgebrek vlak voor, tijdens of kort na de bevalling.
B
infectieziekten tijdens zwangerschap
C
hersenbloeding
D
Allen zijn goed

Slide 11 - Quiz

This item has no instructions

Je spreekt van een verstandelijke beperking als deze is ontstaan...
A
Bij de geboorte
B
Voor je 16 de jaar
C
Voor je 10 de jaar
D
Voor je 18de jaar

Slide 12 - Quiz

This item has no instructions

Wat is het IQ van iemand met een Licht Verstandelijke Beperking?
A
Tussen de 50 en 75
B
Tussen de 35 en 50
C
Tussen de 20 en 35

Slide 13 - Quiz

This item has no instructions

Een kind met een verstandelijke beperking
A
betuttel je extra, omdat het kind het al moeilijk genoeg vindt
B
heeft een vrij voorspelbare ontwikkeling
C
kan meestal geen dingen zelf leren, omdat de ontwikkeling niet vanzelf verloopt
D
stimuleer je in zijn ontwikkeling, want je weet nooit welke mogelijkheden het blijkt te hebben.

Slide 14 - Quiz

This item has no instructions

Welke factoren in de mot. ontwikkeling spelen een rol bij mensen met een verstandelijke beperking?
A
denken, waarnemen, onthouden en leren
B
transferproblemen, zelfstandigheid, relaties
C
aanleg, omgeving en persoonlijke
D
denken, transferproblemen, omgeving

Slide 15 - Quiz

This item has no instructions

Wat zijn kenmerken in het leerproces bij mensen met een verstandelijke beperking bij de cog. ontwikkeling?
A
minder exploratiedrang
B
meer leren van fouten
C
kortere leertijd
D
zelfverzekerdheid

Slide 16 - Quiz

This item has no instructions

Presenteer je poster
iedereen loopt rond je pitcht je poster in 1 minuut.
nr 1 van de makers van de poster beginnen 
na 5 minuten wisselen nr 1 en 2 en nog 5 min 
timer
5:00

Slide 17 - Slide

This item has no instructions

Specifieke syndromen
  • Er is sprake van een syndroom bij een vaste combinatie van symptomen die behoren bij een bepaald ziektebeeld, bepaalde afwijking of stoornis.
  • Vaak vernoemt naar de ontdekker
  • Mensen met hetzelfde syndroom ogen hetzelfde maar ontwikkelen zich niet hetzelfde.
  • Onderlinge verschillen zijn groter dan de opvallende overeenkomsten
  • Trisomie

Slide 18 - Slide

This item has no instructions

Syndromen
- moeilijk om alles uit je hoofd te leren (zijn er zoveel)
- moet het kunnen opzoeken en toepassen
welke gaan wij behandelen:
- syndroom van Down
-syndroom van Prader Willi
- Fragiele X syndroom
- Angelman syndroom
- Williams beurensyndroom

Slide 19 - Slide

This item has no instructions

Enkele andere syndromen
Cri du Chatsyndroom
Syndroom van Cornelia de Lange
Syndroom van Edwards
Syndroom van Bardet-Biedl
Syndroom van Laurence-Moon-Bardet-Biedl
Syndroom Wiliams Beuren

Slide 20 - Slide

This item has no instructions

Hier volgt 1 uitgewerkt syndroom
dit moet je van alle 5 de syndromen weten

Slide 21 - Slide

This item has no instructions

Wiliams Beuren

Slide 22 - Slide

This item has no instructions

Oorzaak
Een verandering in genen, die willekeurig zou kunnen zijn, of geërfd, wordt gezegd dat Williams syndroom veroorzaken

De verandering is de schrapping van genetisch materiaal uit een specifiek gebied van chromosoom 7
Het verwijderde gebied heeft 26 tot 28 genen en dit kan de reden zijn van karakteristieke kenmerken van de aandoening

Slide 23 - Slide

This item has no instructions

Uiterlijke kenmerken

Karakteristieke gelaatstrekken zoals 
brede mond, 
kleine opstaande neus, 
wijd uit elkaar liggende tanden en volle lippen
Korte gestalte
Verzonken borst

Slide 24 - Slide

This item has no instructions

Kenmerken motorisch/lichamelijk
Hart-en bloedvatafwijkingen
Verhoogde hoeveelheden calcium in het bloed
Nierafwijkingen
Verziendheid
Gewrichtsproblemen
Zachte, losse huid
grote kans op Epilepsie

Slide 25 - Slide

This item has no instructions

Kenmerken cognitief
Attention deficit hyperactivity disorder (ADHD)
Intellectuele handicap
Vertraagde spraak
Leerstoornissen

Slide 26 - Slide

This item has no instructions

Kenmerken Soc-aff
Bepaalde fobieën
vaak zijn mensen met WBS uiterst sociaal en muzikaal
Afkeer van fysiek contact
Gevoeligheid voor hard geluid

Slide 27 - Slide

This item has no instructions

BA consequenties
Mot
Hart-en bloedvatafwijkingen
Nierafwijkingen
Verziendheid
Gewrichtsproblemen
grote kans op Epilepsie
Goed letten op belastbaarheid en max hartslag
goed kijken en vragen naar hoe ze het volhouden
let op obstakels
matjes en zachte materialen voor veiligheid
Cogn
leerstoornissen
adhd
minder IQ
vertraagde spraak
veel herhalen van stof
korte instructie
praatje plaatje daadje
veel werken ook met picto's
Soc-aff
Bepaalde fobieën
sociaal en muzikaal
Afkeer van fysiek contact
Gevoeligheid voor hard geluid
gebruik veel ritme en muziek ondersteuning tijdens het leren
let op contact en nabijheid en speel in op angst
geen harde onverwachte geluiden

Slide 28 - Slide

This item has no instructions

Opdracht P4K1
Bekijk je feedback op de bpv opdracht p4K1 veranderwensen en behoefte in beeld brengen(gesprekstechnieken)
Wat is de nieuwe opdracht:
Maak een beginsituatieanalyse van een individu op je BPV.
(bij voorkeur met hetzelfde individu die je hebt gebruikt bij P4K1 veranderwensen en behoefte in kaart brengen)

Slide 29 - Slide

This item has no instructions

Kies, in overleg met je BPV-begeleider, persoon X binnen je doelgroep bij wie je deze topprestatie gaat uitvoeren. Kies uit je BPV-doelgroep een casuspersoon voor wie jij een beginsituatie gaat maken.
Onze voorkeur is dezelfde persoon te gebruiken die je al hebt bevraagd in P4K1 opdracht verander wensen en behoefte in kaart brengen.
Om deze opdracht goed te kunnen uitvoeren, moet je uit de volgende bronnen/informatie over de casuspersoon verzamelen:
- Lees dossiers en/of intakeverslagen door (als die op je BPV gebruikt worden) en beschrijf wat je belangrijk vindt voor je lessenplan.
- Bereid een vraaggesprek met je praktijkbegeleider voor. In dit gesprek ga je het niveau van de casuspersoon op motorisch, cognitief en/of sociaal affectief gebied bespreken. Werk het gesprek uit en beschrijf wat je belangrijk vindt voor je lessenplan (consequenties voor de les).
- Formuleer voor 2 van de 3 bovenstaande gebieden een hulpvraag en bespreek die met je praktijkbegeleider. Dit mogen dus de hulpvragen uit de vorige opdracht zijn.
Geef aan waarom je voor deze 2 hulpvragen hebt gekozen of eraan gekomen bent
Kies de meest relevante hulpvraag voor je persoon.
Maak een observatieschema volgens de volgende stappen en voer de volgende stappen uit:













Slide 30 - Slide

This item has no instructions

 Stap 1: Beantwoord de vier methodische stappen.
1) Bepalen van het doel van je observatie!
- en wat wil ik bereiken met mijn observaties?
2) Wat ga ik observeren?
- Over welke gedragsaspecten wil ik iets te weten komen? Welke gegevens zijn relevant, gezien de populatie en de visie van de instelling?
3) Bepalen van de situatie(s) waarin geobserveerd wordt:
- Als ik de mate van samenwerking of de mate van initiatief van een deelnemer wil observeren, in welke situaties moet ik dit dan doen? In welke situaties is het zichtbaar?
- Je kunt observeren tijdens reguliere lessen of bijeenkomsten, maar het is ook mogelijk dat je hiervoor een aantal specifieke bewegingssituaties creëert, zoals het eerder gegeven voorbeeld van een ggz-instelling.
 4) Bepalen van de manier waarop je gaat observeren:
participerend of niet
- beschrijvend
- met behulp van scorelijsten-
- met behulp van video.

Slide 31 - Slide

This item has no instructions

 Stap 2: Maak een observatieschema voer deze uit.
Stap 3: Werk de observatie uit, beschrijf je bevindingen en geef aan wat je belangrijk vindt voor je lessenplan (consequenties voor de les).

Stap 4: Formuleer aan de hand van alle gegevens een beginsituatie met consequenties.*
*In de concrete beginsituatie verwerk je alle relevante gegevens uit dossiers/intake verslagen/ gesprek begeleider/ observatie.
Met daarnaast de bewegingsagogsiche consequenties (gebruik format LVF beginsituatie)

Let op: de gegevens van deze opdracht heb je nodig voor het maken van de volgende opdracht
Let op: gebruik initialen n geen namen (bijvoorbeeld: meneer P)




Slide 32 - Slide

This item has no instructions

Slide 33 - Slide

This item has no instructions

Casus Koen
Koen is 25 jaar en heeft  het fragiele x-syndroom. Hij heeft een  licht verstandelijke beperking en woont in een begeleide woonvorm. Koen is zeer aanwezig in de beweeglessen en kan zich moeilijk concentreren. Koen loopt op motorisch gebied wat achter, hij heeft met name last van hypermobiliteit. 

Bedenk een spel/activiteit voor de beweeggroep van Koen. Je kan uitleggen hoe je rekening houdt met de bewegingsagogische consequenties. In de groep van Koen zitten nog een aantal jongeren met een verstandelijke beperking. De groep wil vooral plezier hebben tijdens het bewegen waarbij ze werken aan coördinatie en uithoudingsvermogen.

Slide 34 - Slide

This item has no instructions

Hoe goed heb je de les begrepen?
😒🙁😐🙂😃

Slide 35 - Poll

This item has no instructions

Hoe goed heb jij het gedaan vandaag?
Welk cijfer zou ik jou geven voor je werk- en luisterhouding?
010

Slide 36 - Poll

This item has no instructions

Dit vond ik van de les vandaag
😒🙁😐🙂😃

Slide 37 - Poll

This item has no instructions