GEZ-GMK P1 en P2 VP Herhaling

GEZ-GMK P1 en P2 VP Herhaling
1 / 30
next
Slide 1: Slide

This lesson contains 30 slides, with interactive quizzes and text slide.

Items in this lesson

GEZ-GMK P1 en P2 VP Herhaling

Slide 1 - Slide

wat is allopathie ?
A
een geneeswijze die het zelfherstellend vermogen van het lichaam activeert
B
de wetenschap van kruidengeneeskunde
C
de normale geneeskunde waarbij een geneesmiddel dosisafhankelijk is
D
een geneeswijze waarbij sterke verdunningen van stoffen worden gebruikt

Slide 2 - Quiz

welke zorgverleners mogem alle medicatie voorschrijven?
A
Tandarts
B
verloskundige
C
basisarts
D
verpleegkundig

Slide 3 - Quiz

Waar kun je informatie vinden over of een geneesmiddel tijdens de zwangerschap gegeven mag worden ?
A
farmaceutisch kompas
B
apotheek.nl
C
lareb.nl

Slide 4 - Quiz

wat betekend teratogeen?
A
opstapelen van geneesmiddelen in het bloed
B
schadelijk voor het ongeboren kind
C
uitblijven van effect door een geneesmiddel
D
wisselwerking tussen geneesmiddelen

Slide 5 - Quiz

welk behandeldoel is gericht op het aanpakken van de oorzaak van de ziekte?
A
symptomatisch
B
profylactisch
C
palliatief
D
causaal

Slide 6 - Quiz

waar vindt de absorptie van een oraal ingenomen geneesmiddel voornamelijk plaats ?
A
in de maag
B
in de lever
C
in de dunne darm
D
in de dikke darm

Slide 7 - Quiz

in welke fase van de farmacokinetiek
komt het geneesmiddel in de bloedbaan terecht?
A
distributie
B
metabolisme
C
absorptie
D
eliminatie

Slide 8 - Quiz

wat is het doel van metabolisme van een geneesmiddel in de lever?
A
het geneesmiddel verdelen over het lichaam
B
het geneesmiddel opnemen in de bloedbaan
C
het geneesmiddel klaarmaken om uitgescheiden te worden
D
het geneesmiddel laten werken op de plaats van bestemming

Slide 9 - Quiz

wat houdt het first-pass effect in?
A
de verdelingvan het lichaam over het hele lichaam
B
de afbraak van een geneesmiddel door de lever voordat het in de algemene bloedsomloop komt
C
de binding van een geneesmiddel aan plasmaproteïnen
D
de opname van een geneesmiddel in de cellen

Slide 10 - Quiz

wat is een bloedspiegel van een geneesmiddel?
A
de hoeveelheid geneesmiddel die is opgenomen in het lichaam
B
de snelheid waarmee een geneesmiddel wordt afgebroken
C
de concentratie van een geneesmiddel in het bloed
D
de tijd die nodig is voordat een geneesmiddel effect heeft

Slide 11 - Quiz

wat wordt verstaan onder biologische beschikbaarheid van een geneesmiddel?
A
de range tussen de effectieve dosering en de overdosering
B
de tijd die nodig is om de hoeveelheid geneesmiddel in het bloed te halveren
C
de hoeveelheid van een geneesmiddel dat vrijkomt uit de toedieningsvorm en wordt opgenomen in het bloed
D
de opstapeling van een geneesmiddel in het bloed bij herhaalde toediening

Slide 12 - Quiz

wat is therapeutische breedte van een geneesmiddel ?
A
de tijd die nodig is voordat een geneesmiddel effect heeft
B
de periode waarin een geneesmiddel maximaal werkzaam is
C
de range tussen een effectieve dosering en een dosering die leidt tot teveel bijwerkingen
D
de mate waarin een geneesmiddel zich bindt aan plasmaproteïne

Slide 13 - Quiz

wat is de halfwaardetijd van een geneesmiddel?
A
de tijd die nodig is voordat een geneesmiddel volledig is uitgewerkt
B
de tijd die nodig is om de maximale concentratie van een geneesmiddel in het bloed te bereiken
C
de tijd die nodig is om de hoeveelheid van het geneesmiddel in het bloed te halveren
D
de tijd die nodig is voordat de eerste effecten van een geneesmiddel merkbaar zijn.

Slide 14 - Quiz

wanneer treedt cumulatie van een geneesmiddel op?
A
als de dosering van het geneesmiddel te hoog is
B
als de uitscheiding van een geneesmiddel sneller is dan de opname
C
als de opname van het geneesmiddel groter is dan de uitscheiding
D
als het geneesmiddel een smalle therapeutische breedte heeft.

Slide 15 - Quiz

welke pijnstiller wordt in het stappenplan pijnbestrijding als eerste geadviseerd bij acute pijn?
A
NSAID
B
een zwakwerkend opiaat
C
paracetamol
D
een sterkwerkend opiaat

Slide 16 - Quiz

wat is het belangrijkste werkingsmechanisme van paracetamol?
A
het remmen van de prostaglandines
B
het voorkomen dat het pijnsignaal wordt doorgegeven aan de hersenen
C
het onderdrukken van de ontstekingsreactie
D
het beïnvloeden van de zenuwen in het lichaam

Slide 17 - Quiz

welke belangrijke bijwerking kan optreden bij een hoge dosering van paracetamol?
A
maagbeschadiging
B
bloedingen
C
leverbeschadiging
D
nierinsufficiëntie

Slide 18 - Quiz

wat is een belangrijk werkingsmechanisme van NSAID's?
A
het verhogen van de pijndrempel in de hersenen
B
het remmen van de bloedstolling
C
het voorkomen van de overdracht van pijnsignalen naar de hersenen
D
het stimuleren van de prostaglandineproductie

Slide 19 - Quiz

welke veel voorkomende bijwerkingen kunnen optreden bij het gebruik van opioïden?
A
hoofdpijn en duizeligheid
B
diarree en huiduitslag
C
obstipatie, misselijkheid en sufheid
D
nervositeit en slapeloosheid

Slide 20 - Quiz

welke medicatie wordt vaak voorgeschreven bij zenuwpijn?
A
paracetamol en NSAID's
B
antibiotica en antivirale middelen
C
anti-eptileptica en antidepressiva
D
antischimmelmiddelen en pijnpleisters

Slide 21 - Quiz

wat is het verschil tussen een infectie en een ontsteking?
A
een infectie is altijd zichtbaar, een ontsteking niet
B
een ontsteking is altijd het gevolg van een infectie
C
een infectie is een besmetting met micro-organismen, een ontsteking is een reactie op schade
D
een infectie kan alleen door bacteriën worden veroorzaakt, een ontsteking door virussen

Slide 22 - Quiz

wat betekent bactericide ?
A
het remmen van de groei van bacteriën
B
het doden van bacteriën
C
een antibioticum met een smal werkingsspectrum
D
het ontstaan van weerstand tegen antibiotic

Slide 23 - Quiz

wat is een voorbeeld van een breedspectrum antibiotica?
A
Flucloxacilline
B
azitromycine
C
erytromycine
D
amoxicilline/clavulaanzuur

Slide 24 - Quiz

wat is een bijwerking van antibiotica?
A
diarree
B
verstopping
C
maagklachten
D
sufheid

Slide 25 - Quiz

welke instructie is belangrijk bij het gebruik van een antibioticakuur?
A
de kuur stoppen zodra de symptomen verdwenen zijn
B
de dosering verhogen als er geen verbetering optreedt
C
de kuur altijd volledig afmeken
D
het antibiotica delen met anderen met dezelfde klachten

Slide 26 - Quiz

welke contra-indicatie wordt genoemd voor het gebruik van tetracyclines?
A
hoge bloeddruk
B
diabetes mellitus
C
kinderen onder de 8 jaar
D
maagklachten

Slide 27 - Quiz

welk antimycoticum wordt vaak gebruikt bij een schimmelinfectie in de mond
A
nystatine
B
terbinafine
C
miconazol
D
clotrimazol

Slide 28 - Quiz

wat is een voorbeeld van een virale infectie?
A
urineweginfectie
B
mazelen
C
candida -infectie
D
Tuberculose

Slide 29 - Quiz

wat is het doel van farmacotherapie?
A
het stellen van een diagnose
B
het voorkomen van ziekten
C
de behandeling van een aandoening met een geneesmiddel
D
het verlichten van symptomen zonder de oorzaak aan te pakken

Slide 30 - Quiz