Examentraining herhaling

Veel gemaakte fouten en herhaling van de belangrijkste onderdelen van het Examen
.....

CSE Biologie
1 / 35
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolvmbo k, g, tLeerjaar 4

This lesson contains 35 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Veel gemaakte fouten en herhaling van de belangrijkste onderdelen van het Examen
.....

CSE Biologie

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Leesvaardigheid
  • Lees de tekst goed door. 
  • Lees de vraag.
  • Lees nogmaals de tekst.
  • Onderstreep eventueel de belangrijke woorden.

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Rekenvaardigheden
Bij het berekenen van iets moet je de vraag goed lezen. Neem de moeite, want het is zonde om de punten te laten liggen.

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Meneer Van Dongen is al 25 jaar bloeddonor. Zijn bloedgroep is B negatief. Hij weegt 75 kilogram. Twee keer per jaar wordt een halve liter bloed afgenomen.
Een volwassene heeft gemiddeld 60 mL bloed per kilogram lichaamsgewicht.

Hoeveel procent van het totale bloedvolume wordt per keer bij meneer Van Dongen afgenomen?

A
Ongeveer 1%
B
Ongeveer 6%
C
Ongeveer 11%
D
Ongeveer 22%

Slide 4 - Quiz

1 L = 1000 mL

75 kg x 60 mL = 4500 mL totaal

de helft van 1000 ml = 500 mL (wordt afgenomen per keer)

4500 mL / 100 % =   45 mL = 1 %

500 mL / 45 mL = 11,11 %
Antwoorden..
Geef antwoord op wat gevraagd wordt (in je eigen woorden).
Schrijf geen dingen op die niet gevraagd zijn.

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Meerkeuzevragen (groot deel!)
Weet je het antwoord op een meerkeuzevraag niet, ga dan niet meteen gokken.
Kijk eerst of je antwoorden kunt wegstrepen die sowieso fout zijn.
Kijk dan tussen de overgebleven antwoorden nogmaals of je het antwoord nu misschien wel weet.
Zo niet, gok dan pas één van de overgebleven antwoorden.

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

Kenmerken van insectenbloemen en windbloemen

Slide 7 - Slide

This item has no instructions

Voor de bloem op de foto is insectenbestuiving belangrijk.

Waaraan kun je dat zien?

Slide 8 - Open question

This item has no instructions

Levenscyclus plant



-Zaad
-Kiemplant
-Volwassen plant
-Bloem
-Vrucht

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

Verschil
Mitose 
(gewone celdeling)                            Van 46 -> 46                                                                          
Meiose   
(reductie deling)                                      Van 46 -> 23                                                      

Slide 10 - Slide

This item has no instructions

Dag 14:
Ovulatie

Slide 11 - Slide

This item has no instructions

Volgorde licht in het oog

  • Hoornvlies
  • Pupil
  • Lens
  • Glasachtig lichaam
  • Gele vlek (netvlies)

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

De samenstelling van bloed.
Het bloed bestaat uit plasma, witte bloedcellen, bloedplaatjes en rode bloedcellen.

Elk onderdeel heeft zijn eigen functies.

Slide 13 - Slide

This item has no instructions

De rode bloedcel.
Vorm; rond met een deukje in het midden. Ze hebben geen celkern.

Functie: vervoeren van zuurstof
Bevat  ijzerhoudende stof: hemoglobine.
Gemaakt in: rode beenmerg (bot)

Slide 14 - Slide

This item has no instructions

De witte bloedcel.
Vorm: heeft geen vaste vorm. Heeft wel een celkern.

Functie: maken ziekteverwekkers dood.
Etter/pus bestaan uit witte bloedcellen met dode ziekteverwekkers.

Slide 15 - Slide

This item has no instructions

Bloedplaatjes.
Vorm: als propjes met armen. zijn restanten van uiteengevallen cellen.

Functie: zorgen voor de bloedstollen. 
Vormen een web bij een wondje. (het korstje)

Slide 16 - Slide

This item has no instructions


Profvoetballers trainen veel. Tijdens het trainen verliezen ze veel energie. Deze energie vullen ze na de training aan door een drankje te drinken met daarin veel glucose. De glucose wordt na opname in het bloed naar de lever vervoerd.

Waar in het bloed bevindt de glucose zich vooral?
A
in de bloedplaatjes
B
in de rode bloedcellen
C
in de witte bloedcellen
D
in het bloedplasma

Slide 17 - Quiz

This item has no instructions

Slagader
  • Wijde vaten
  • Dikke gespierde wanden
  • Van hart naar organen
  • Elastisch
  • Alleen kleppen aan het begin van de aorta en de longslagader
  • De slag van het hart is er in te voelen (pols)
  • Meeste liggen dieper in het lichaam

Slide 18 - Slide

This item has no instructions

Aders
  • Dunner dan slagaders
  • Dunne weinig gespierde wanden
  • Van organen naar hart
  • Bevat veel kleppen (om de 10 cm) om terugstromen                                   bloed te voorkomen
  • Geen slagkracht van hart te voelen
  • Holle aders voeren bloed terug naar hart

Slide 19 - Slide

This item has no instructions

Celkenmerken
  • Op basis van celkenmerken 

Slide 20 - Slide

This item has no instructions

Plantaardige cellen hebben een kern.
Niet alle levende organismen hebben een kern in hun cellen.

Welke eencelligen hebben GEEN kern?

Slide 21 - Open question

This item has no instructions

Biotische & abiotische factoren
Levende factoren
Levenloze factoren

Slide 22 - Slide

This item has no instructions

Voedselketen



Voedselketen
  • Een voedselketen begint altijd met een plant/producent. 
  • Pijlen gaan van links naar rechts!

Slide 23 - Slide

This item has no instructions

  • Je moet de lagen van buiten naar binnen goed kennen.
  • Ook wat waar zit!
Lagen van de huid

Slide 24 - Slide

This item has no instructions

Het uitscheidingsstelsel

Slide 25 - Slide

This item has no instructions

12-vingerigedarm, lever, galblaas, alvleesklier. 
Wat komt waar uit?

Slide 26 - Slide

lever produceert gal --> opgeslagen in galblaas. vetten worden kleiner gemaakt --> Emulgeren. alvleesklier produceert alvleessap. 


Verteringstelsel
-  Speekselklier
-> koolhydraten
-  Maagsapklieren
- > eiwitten
- De lever en zijn gal -> emulgeren vetten
- Alvleesklier -> eiwitten, vetten en koolhydraten
 - Darmsapklieren  -> eiwitten, vetten en koolhydraten

Slide 27 - Slide

This item has no instructions

Het maken van een onderzoeksplan/werkplan
  1. Vraagstelling/onderzoeksvraag
  2. Hypothese (wat denk je?)
  3. Werkwijze (Wat ga je doen?)
  4. Benodigdheden (Wat heb je nodig?)
  5. Resultaten (Wat zie je, verwerkt in tabellen of grafieken)     Let op! Dit is nog geen antwoord op je vraag!
  6. Conclusie (Antwoord op je onderzoeksvraag)

Slide 28 - Slide

This item has no instructions

Wetenschappers hebben jonge kinderen met overgewicht onderzocht. Ze wilden weten of kinderen met overgewicht meer kans hebben om later het metabool syndroom te krijgen. In een verslag van hun onderzoek staat: "Als jonge kinderen overgewicht hebben, dan hebben ze een vergrote kans op het metabool syndroom."

Bij welk deel van hun verslag past deze zin?
A
Bij hun onderzoeksvraag
B
bij hun resultaten
C
bij hun verwachtingen
D
bij hun werkwijze

Slide 29 - Quiz

This item has no instructions

Fotosynthese
Verbranding

Slide 30 - Slide

This item has no instructions

Opbouw van groot naar klein

Slide 31 - Slide

This item has no instructions

Orgaanstelsels

Slide 32 - Slide

This item has no instructions

Bewustwoording
Bewustwording vindt plaats in grote hersenen. Pas als de impulsen daar aankomen, ben je je bewust dat de bonbons voor je neus staan.

Slide 33 - Slide

This item has no instructions

Typen zenuwcellen
Er wordt onderscheid gemaakt tussen 3 typen zenuwcellen:
  1. Gevoelszenuwcellen
  2. Schakelcellen 
  3. Bewegingszenuwcellen
uitloper
uitloper

Slide 34 - Slide

This item has no instructions

Succes allemaal!

Slide 35 - Slide

This item has no instructions