NaSk1 H6 leerlingversie

NaSk1 H6
Warmte
1 / 41
next
Slide 1: Slide
Nask / TechniekMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 3

This lesson contains 41 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

NaSk1 H6
Warmte

Slide 1 - Slide

Toetsing:
PTA toets van hoofdstuk 6 en 8 in de proefwerkweek.
Deze periode hoofdstuk 6 en begin volgende periode hoofdstuk 8.
Voor beide hoofdstukken krijg je een huiswerk cijfer.
Ik ga elke week bijhouden wie het huiswerk serieus heeft gemaakt.
Hieruit volgt een cijfer voor deze periode.

Slide 2 - Slide

Introductie

Slide 3 - Slide

Vloeistof thermometer

Slide 4 - Slide

Thermometer ijken

Slide 5 - Slide

Spanning/ Stoomsterkte
Spanning:
Dit is de pompkracht wat er voor zorgt dat een apparaat werkt.
Stroomsterkte: 
De hoeveelheid elektronen die in een seconde door het draadje heen lopen. 





grootheid
symbool
eenheid
symbool
spanning
U
volt
V
Stroomsterkte
I
Ampère 
A

Slide 6 - Slide

Spanning
Spannings-bronnen hebben niet allemaal dezelfde spanning.


Uit het stopcontact komt 230 Volt.

Slide 7 - Slide

Vermogen
Hoeveel energie het apparaat verbruikt.
Symbool vermogen = P (Power)
Eenheid vermogen = W (Watt)

Het vermogen van de stofzuiger is 
800 Watt

P = 800 W

Slide 8 - Slide

Vermogen

Een apparaat met meer vermogen (meer Watt) is sterker dan een apparaat met minder vermogen. 


Slide 9 - Slide

Vermogen berekenen
vermogen = spanning x stroomsterkte
P = U x I
U = P / I
I = P / U


Slide 10 - Slide

Hoe berekenen we het vermogen binnen een bepaalde tijd?
Energieverbruik(kWh) = vermogen (kW) x de tijd (h)

E = P x t

Energieverbruik in kilowattuur  (kWh)
Vermogen in kilowatt (kW)
Tijd in uur (h)

Slide 11 - Slide

Kelvin
Omrekenen van Kelvin naar graden Celsius



Temperatuur in graden Celsius = Temperatuur in Kelvin - 273
Temperatuur in Kelvin = Temperatuur in graden Celsius + 273



Slide 12 - Slide

Huiswerk
De opdrachten van de introductie maken.

Slide 13 - Slide

Paragraaf 6.1
Warmte en temperatuur

Slide 14 - Slide

Warmtebronnen
Een warmtebron is alles waar warmte vanaf komt.

Elektrische warmtebronnen gebruiken elektriciteit om warmte te maken.

Slide 15 - Slide

Energiestroomdiagram 
Elektrische energie wordt in warmte omgezet!
E=Pt=Q
E = elektrische energie

Q = warmte energie

Slide 16 - Slide

Uit de voorkennis:
Energieverbruik (kWh) = vermogen (kW) x de tijd (h)
Energie(J) = vermogen (W) x de tijd (s)
E = P x t    ->     Q staat gelijk aan E
Dus:       E = P x t en Q = P x t


Grootheid
Symbool
Eenheid
Afkorting
Energie
E
Joule
J
Warmte energie
Q
Joule
J

Slide 17 - Slide

Een waterkoker met een vermogen van 2400 W doet er 25 s over om 175 mL water aan de kook te brengen. Je hebt dan genoeg heet water voor één kop thee.
Bereken hoeveel warmte de waterkoker in die 25 s heeft geleverd.



Gegevens: P = 2400 W      t = 25 s
Gevraagd:   Q = ?

Uitwerking:
Q = E = P · t
Q = 2400 × 25 = 60 000 J = 60 kJ



Slide 18 - Slide

Warmte energie van het boordrooster
Gegevens:

Gevraagd:

Uitwerking:
stopwatch
00:00

Slide 19 - Slide

Temperatuur-tijd diagram
De temperatuursverandering kan ik in een Temperatuur-tijd diagram weergeven.

Slide 20 - Slide

Warmte meten 
  • Een warmtemeter is een goed geïsoleerd bakje van metaal of plastic. 

  • Met een warmtemeter kun je nauwkeurig het verband bepalen tussen de temperatuur en de hoeveelheid toegevoerde warmte.   

Slide 21 - Slide

Temperatuur-warmte diagram
Dit kunnen de uitkomsten van een warmtemeter zijn.

Deze bevindingen kan ik ook in een diagram verwerken.

Slide 22 - Slide

Voorbeeld:
Isha heeft 50 mL water verwarmd met een warmtemeter. Ze heeft haar meetresultaten weergegeven in het temperatuur-warmtediagram.
Bepaal met het diagram hoeveel warmte ervoor nodig is om het water aan de kook te brengen.

Het water begint te koken als de temperatuur 100 °C is. Als je de grafiek doortrekt, kun je aflezen dat bij 100 °C (op de verticale as) 18 kJ (op de horizontale as) hoort. Er is dus 18 kJ warmte nodig.

Slide 23 - Slide

Huiswerk:
Lees en maak paragraaf 6.1 (opdracht 1 t/m 6 en 9)

Slide 24 - Slide

Paragraaf 6.2
Brandstoffen verbranden

Slide 25 - Slide

Waarom verbrand je brandstoffen? 
  • Brandstoffen worden verbrand voor hun energie.
  • Chemische energie wordt omgezet in warmte-energie


Je kunt energie omzetten in een andere vorm van energie -> licht, elektriciteit, warmte, beweging



Slide 26 - Slide

Verbrandingswarmte 
  • Elke brandstof heeft zijn eigen verbrandingswarmte. 

  • Dat is de hoeveelheid warmte die een bepaalde hoeveelheid brandstof kan leveren. 

Wordt aangegeven in Megajoule per kubieke meter.

Slide 27 - Slide

Aardgas
Aardgas is een mengsel van verschillende gassen (ongeveer 80% methaan en ongeveer 14% stikstof).

Methaan en stikstof zijn kleurloze en reukloze gassen. Daarom wordt aan aardgas een beetje geurstof toegevoegd.

Slide 28 - Slide

Aardgas verbranden
(volledige verbranding)

Slide 29 - Slide

Onvolledige verbranding
Als er te weinig zuurstof bij het vuur komt, gaat de brander uit of brandt de vlam niet goed.

De vlammen zijn dan geel en niet blauw. Er ontstaat dan roet en het heel erg giftig gas:
KOOLSTOF-MONO-OXIDE

Slide 30 - Slide

Kelvin
0 Kelvin is het absolute nulpunt.

273 Kelvin is 0 graden Celsius
0 Kelvin is -273 graden Celsius.

Slide 31 - Slide

Huiswerk:
Lees en maak: Paragraaf 6.2 (opdracht 1 t/m 6, 9 en 10)
Gebruik de overige tijd om aan je huiswerk te werken!

Slide 32 - Slide

Paragraaf 6.3
Warmtetransport

Slide 33 - Slide

De centrale verwarming
Om een huis of een woning te verwarmen gebruiken we een cv ketel.

Deze cv ketel is onderdeel van de centrale verwarming.
Daarbij kom je verschillende vormen van warmtetransport tegen.

Slide 34 - Slide

Geleiding
Bij geleiding verplaatst de warmte zich door de stof.
Een stof die warmte goed geleid noemen wij een:
Warmtegeleider.

Slide 35 - Slide

Stroming
Bij stroming verplaatst de warmte zich door de ruimte door het bewegen van de stof. Let op, warmte stijgt altijd!

Slide 36 - Slide

Straling
Bij straling verplaatst warmte dat zich zonder tussenstof.

Slide 37 - Slide

Weerkaatsen en absorberen
Voorwerpen kunnen dus warmte uitzenden, maar ook absorberen (opnemen).

  • Zwarte en donkere voorwerpen absorberen de warmte goed.
  • Witte en glimmende voorwerpen absorberen minder goed en kunnen warmte weerkaatsen. 

Slide 38 - Slide

Warmtetransport en Temperatuur
Door warmtetransport ontstaan er temperatuurverschillen.

Deze verschillen zijn merkbaar.

Slide 39 - Slide

Huiswerk:
Lees en maak: Paragraaf 6.3 (opdracht 1 t/m 10)

Slide 40 - Slide

Paragraaf 6.4
Isoleren

De stof van deze paragraaf is niet lastig en kan je zelf in de methode lezen en vanuit daar leren.
Tip: Maak een begrippenlijst van de begrippen in deze paragraaf.

Slide 41 - Slide