Voorzetsels 3e en 4e naamval

Voorzetsels
Voorzetsels met een vaste naamval
Reader Kapitel C en D
Seiten 8+9
1 / 13
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

This lesson contains 13 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Voorzetsels
Voorzetsels met een vaste naamval
Reader Kapitel C en D
Seiten 8+9

Slide 1 - Slide

Voorzetsels met vaste naamval
Er zijn voorzetsels met een vaste naamval.

Je hebt de voorzetsels met de 3e naamval en de voorzetsels met de 4e naamval.

Slide 2 - Slide

Voorzetsels 3e naamval
aus, bei, mit, nach, seit, von, zu, 
außer (behalve), gegenüber (gegenüber)

Slide 3 - Slide

Voorzetsels 4e naamval
durch, für, gegen, ohne , um , bis, 
entlang (langs) = staat achter het zelfstandig naamwoord

Slide 4 - Slide

Voorzetsels 3e naamval
Welke hoort er niet bij?
A
mit
B
seit
C
durch
D
von

Slide 5 - Quiz

Voorzetsels 3e naamval
Welke hoort er niet bij?
A
nach
B
für
C
zu
D
bei

Slide 6 - Quiz

Voorzetsels 4e naamval
Welke hoort er niet bij?
A
durch
B
gegen
C
aus
D
um

Slide 7 - Quiz

Voorzetsels 4e naamval
Welke hoort er niet bij?
A
für
B
von
C
um
D
durch

Slide 8 - Quiz

Der- & Ein- Gruppe
Gebruik de naamvallen tabellen
Reader, Seite 5

Slide 9 - Slide

dies
Der Groep 
Ein Groep 
mein
welch
kein
solch
eine
unser
alle
jed
ihr

Slide 10 - Drag question

Ich habe ein Geschenk für ......(mijn) Mutter gekauft.

A
mein
B
meinen
C
meine
D
meiner

Slide 11 - Quiz

Ohne .......(de) Kinder können wir nicht gehen.

A
die
B
der
C
den
D
den

Slide 12 - Quiz

Das hat er von ..... (de) Mann bekommen.
A
der
B
dem
C
den
D
die

Slide 13 - Quiz