This lesson contains 60 slides, with interactive quizzes and text slides.
Lesson duration is: 30 min
Items in this lesson
4 Kader
Slide 1 - Slide
Hfst 1 - Inkomen en welvaart
Blader door de paragrafen
Lees de begrippen
Bekijk de rekenformules
...
Slide 2 - Slide
Ik begrijp de theorie uit hoofdstuk 1
Helemaal mee eens
Mee eens
Neutraal
Niet mee eens
Helemaal niet mee eens
Slide 3 - Poll
Lesdoelen
Slide 4 - Slide
Primaire behoeften zijn?
Slide 5 - Open question
Noem een voorbeeld van een secundaire behoefte....
Slide 6 - Open question
Je moet prioriteiten stellen omdat?
Slide 7 - Open question
Wat is NIET schaars?
A
Elektriciteit
B
IJs bij de supermarkt
C
Zonlicht
D
Drinkwater
Slide 8 - Quiz
Om in je behoefte te kunnen voorzien, kun je...
Er zijn meerdere antwoorden mogelijk
A
Aan zelfvoorziening doen
B
Over het fietspad fietsen
C
Gebruik maken van natuurlijke hulpbronnen
D
Goederen en diensten kopen
Slide 9 - Quiz
Wat is ideële reclame?
Slide 10 - Open question
Wanneer is er sprake van commerciële beïnvloeding ?
A
Je op advies van je familie een product koopt
B
Het gedrag van de consument te veranderen
C
Je gaat in op het advies van een influencer
D
Een verkoper overtuigt je om een product te kopen
Slide 11 - Quiz
Waarom zijn jongeren een belangrijke doelgroep voor bedrijven?
Slide 12 - Open question
Een Consumentenorganisatie ....
A
komt op voor de Nederlandse handel
B
komt op voor de belangen van de koper
C
wil winst maken
D
wordt betaald door de regering
Slide 13 - Quiz
Wat is een vergelijkend warenonderzoek?
Slide 14 - Open question
Bij duurzaam consumeren houd je met je aankopen rekening met:
A
Mens
B
Geld
C
Milieu
D
Merk
Slide 15 - Quiz
Waarom letten consumenten bij een aankoop op een keurmerk?
Slide 16 - Open question
Wat betekent het B(ruto) B(innenland) P(roduct) van een land?
A
Alle geproduceerde goederen en diensten
B
De welvaart van een land
C
De welvaart van een land, vergeleken met een ander land
D
De waarde van alle geproduceerde goederen en diensten
Slide 17 - Quiz
Welke vormen van inkomen zijn er in de economie?
Slide 18 - Open question
Wat is het modaal inkomen?
A
Het gemiddelde inkomen
B
Het middelste inkomen
C
Het meest voorkomende inkomen
D
Het hoogste inkomen
Slide 19 - Quiz
Noem een reden van inkomensverschillen
Slide 20 - Open question
Waarom is het niet handig om alleen het nationaal inkomen per hoofd van de bevolking van landen te vergelijken?
A
Prijspeil in de landen is verschillend
B
Er is geen reden waarom het niet handig kan zijn
C
Veel formele productie
D
Er zijn kleine inkomensverschillen in de landen zelf
Slide 21 - Quiz
Bereken het inkomen per hoofd van de bevolking. Nationaal inkomen is 850 miljard euro, het aantal inwoners is 17,1 miljoen
Slide 22 - Open question
Ik begrijp de theorie uit hoofdstuk 1
Helemaal mee eens
Mee eens
Neutraal
Niet mee eens
Helemaal niet mee eens
Slide 23 - Poll
Nu een paar examenvragen
Maak ze op je wisbordje !
Slide 24 - Slide
Slide 25 - Slide
Slide 26 - Slide
Slide 27 - Slide
Slide 28 - Slide
Slide 29 - Slide
Hfst 2 - Geld genoeg?
Blader door de paragrafen
Lees de begrippen
Bekijk de rekenformules
...
Slide 30 - Slide
Ik begrijp de theorie uit hoofdstuk 2
Helemaal mee eens
Mee eens
Neutraal
Niet mee eens
Helemaal niet mee eens
Slide 31 - Poll
Lesdoelen
Slide 32 - Slide
Wat is geen onderdeel van dagelijkse uitgaven?
A
Uitgaan
B
Shampoo
C
Make-up
D
Telefoon
Slide 33 - Quiz
Geef naast benzinekosten nog andere voorbeelden van autokosten
Slide 34 - Open question
Wanneer mensen steeds meer via de telefoon gaan betalen, wat gebeurt er dan met de geldhoeveelheden?
A
Chartaal meer
B
Giraal meer
C
Chartaal en giraal beiden meer
D
Chartaal en giraal beiden minder
Slide 35 - Quiz
Wat voor een saldo heeft deze persoon?
A
Debetsaldo
B
Creditsaldo
Slide 36 - Quiz
Wat staat op de plek van de 1 : sparen / lenen?
1
Slide 37 - Open question
Als de ECB de rente laat stijgen, wat gebeurt er dan?
A
Sparen meer / lenen minder
B
Sparen minder / lenen meer
C
Sparen minder / lenen minder
D
Sparen meer / lenen meer
Slide 38 - Quiz
Wat is geen doel om te sparen?
A
Voor een doel
B
Voor de rente
C
Om een dure aankoop niet uit te stellen
D
Uit voorzorg
Slide 39 - Quiz
In welke situatie stijgt je koopkracht? Links of rechts?
A
Links
B
Rechts
Slide 40 - Quiz
Welke beschrijving hoort het beste bij welk begrip?
Aandelen
Obligaties
Crypto
De winst heet dividend
Je loopt veel risico
Je krijgt een afgesproken rente
Slide 41 - Drag question
Slide 42 - Slide
Jeppe leent geld voor een nieuwe badkamer. Omdat hij makkelijk geld uitgeeft, neemt hij bij de bank een lening waarbij tussentijds niet opnieuw geld kan opnemen. Wat voor een lening is dit?
A
Doorlopend krediet
B
Persoonlijke lening
C
Salariskrediet
D
Koop op afbetaling
Slide 43 - Quiz
Ik begrijp de theorie uit hoofdstuk 2
Helemaal mee eens
Mee eens
Neutraal
Niet mee eens
Helemaal niet mee eens
Slide 44 - Poll
Hoofdstuk 3
Ben jij ondernemend?
Slide 45 - Slide
Ik begrijp de theorie uit hoofdstuk 3
Helemaal mee eens
Mee eens
Neutraal
Niet mee eens
Helemaal niet mee eens
Slide 46 - Poll
Lesdoelen
Slide 47 - Slide
Toegevoegde
waarde
Slide 48 - Slide
Variabel of vast?
VAST
VARIABEL
Afschrijving machines
Brandstof
bestel-
wagen
Loon uitzend-kracht
Verf
Verzekeringen
Slide 49 - Drag question
Slide 50 - Slide
Op welke manier stijgt de arbeidsproductiviteit? Meerdere antwoorden zijn mogelijk
A
Meer loon geven
B
Robotisering
C
Arbeidsverdeling
D
Gratis tandarts
Slide 51 - Quiz
Waardoor wordt de productiecapaciteit niet vergroot?
A
Meer mensen in een bedrijf
B
Meer uren werken per werknemer
C
Meer winst maken
D
Meer machines aanschaffen
Slide 52 - Quiz
Slide 53 - Slide
Marktwerking
Slide 54 - Slide
Hoe krijg je als een bedrijf een groter marktaandeel in je bedrijfstak?
Slide 55 - Open question
Welke P van de marketingmix staat centraal bij Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen?