lichten

    Lichten
1 / 15
next
Slide 1: Slide
VerkeerBasisschoolGroep 6

This lesson contains 15 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

    Lichten

Slide 1 - Slide

Wat weten we al?

Slide 2 - Mind map

Driekleurig verkeerslicht
Groen = je mag door
Oranje = je mag door als je echt niet meer kan stoppen
Rood = je moet stoppen
oranje betekend dus niet dat het bijna rood wordt!
Wist je dat?

Slide 3 - Slide

Voetgangerslicht
Groen =  voetgangers mogen oversteken
Knipperend groen = pas op, het wordt bijna rood
Rood = voetgangers mogen niet oversteken

Slide 4 - Slide

verschillende verkeerslichten

Slide 5 - Slide

Mag je nu oversteken?
A
Ja
B
Nee

Slide 6 - Quiz

Wie mag nu doorgaan?
A
De auto's
B
De fietsers
C
De voetgangers
D
Niemand

Slide 7 - Quiz

Voor wie is dit verkeerslicht bedoeld?
A
Voetgangers
B
Auto's
C
Bussen
D
Fietsers

Slide 8 - Quiz

Wie heeft er gelijk?
A
Sofie
B
Matthew

Slide 9 - Quiz

Waarom?
A
Het rode licht betekend: JE MAG DOOR!
B
Het rode licht betekend: KIJK UIT!
C
Het rode licht betekend: STOPPEN!
D
Het rode licht betekend: RIJ VOORZICHTIG!

Slide 10 - Quiz

Wie heeft gelijk?
A
Leo
B
Lucas

Slide 11 - Quiz

Waarom?
A
Er is geen ander verkeer
B
Het gele licht is een waarschuwingslicht
C
Het gele licht is het hetzelfde als een groen licht, maar dan dat het bijna rood is
D
Het gele verkeerslicht is ook een stoplicht

Slide 12 - Quiz

Wie heeft gelijk?
A
Hidde
B
Jacco

Slide 13 - Quiz

Waarom?
A
Bij een groen knipperend licht moet je stoppen
B
Oversteken mag ook, als het groene licht knippert. Je moet wel doorlopen!
C
De jongens staan al bijna op het zebrapad
D
Oversteken mag altijd, want er is een zebrapad

Slide 14 - Quiz

Wat weet je nu?

Slide 15 - Mind map