Een uiteenzettende tekst heeft als tekstdoel: informeren (uitleg geven).
Slide 7 - Slide
Bouwplan-publiek
De persoon/de personen voor wie je de tekst schrijft.
Je krijgt op de toets pas te horen wie je publiek is. Je moet je taalgebruik aanpassen op je publiek. Daar word je ook op beoordeeld
Slide 8 - Slide
Slide 9 - Video
?Onderwerp of hoofdgedachte?
Beide geven antwoord op de vraag ‘waar gaat de tekst over?’
Onderwerp: één of enkele woorden
Hoofdgedachte: één volledige zin
Slide 10 - Slide
Vooruitblik
Je weet....
... waarom bronnen belangrijk zijn.
... wanneer het belangrijk is om bronnen te gebruiken.
... hoe je naar een bronnen verwijst.
... hoe je (nog meer) structuur aanbrengt in je tekst.
Slide 11 - Slide
Slide 12 - Slide
Slide 13 - Slide
Slide 14 - Slide
Slide 15 - Video
Slide 16 - Slide
Slide 17 - Slide
Slide 18 - Slide
Slide 19 - Slide
Hoe verwijs ik naar bronnen in de tekst?
In de tekst:
Volgens NOS.nl is het lichaam van koningin Elizabeth onder grote belangstelling overgebracht van Buckingham Palace naar Westminster Hall (Bron: NOS.nl).
In bouwplan: https://nos.nl/artikel/2444584-lichaam-koningin-elizabeth-overgebracht-van-buckingham-palace-naar-westminster
Slide 20 - Slide
Hoe verwijs ik naar bronnen in de tekst?
Nu.nl meldt dat Jumbo-topman Frits van Eerd nog vast zit vanwege mogelijke betrokkenheid bij een grote witwaszaak (Bron: Nu.nl).
In bouwplan: https://www.nu.nl/economie/6224015/jumbo-baas-frits-van-eerd-zit-nog-steeds-vast-in-witwaszaak.html
Slide 21 - Slide
Citeren
Slide 22 - Slide
Citeren
Letterlijk opschrijven wat iemand gezegd heeft.
Citeren in een artikel:
niet te lang (maximaal drie zinnen)
moet iets toevoegen
let op regels voor citeren
zorg voor juiste bronvermelding
Slide 23 - Slide
Slide 24 - Slide
Slide 25 - Slide
signaalwoorden
Ik ga elke zondag roeien. Met harde wind roei ik niet.
Duidelijker is: Ik ga elke zondag roeien, behalve als het hard waait.
Je geeft bijv. aan in welke volgorde gebeurtenissen hebben plaatsgevonden (eerst, daarna) of dat je lezers de conclusie van je stuk gaan lezen (dus, concluderend).
Tijd, Opsomming, Tegenstelling, Overeenkomst, Toelichting, Oorzaak/ gevolg
vroeger maar intussen, Opsomming, Tegenstelling, Overeenkomst, Toelichting, Oorzaak, gevolg
Slide 26 - Slide
signaalwoorden
Tijd
Opsomming
Tegenstelling
Overeenkomst
Toelichting
Oorzaak, gevolg
vroeger zwom ik maar intussen ben ik meer het roeien
daarnaast fiets ik iedere dan en wandel ik op de hei
maar hardlopen vind ik niks
net zoals mijn beste vriendin houd ik van spelletjes spelen
bijvoorbeeld weerwolven of exploding kittens
we blijven soms te lang doorspelen waardoor ik
op zondag moeilijk mijn bed uitkom
Slide 27 - Slide
Slide 28 - Slide
Slide 29 - Slide
Zelfstandig werken
Bekijk het voorbeeld (bouwplan en tekst).
Ga verder met je tekst in learnbeat.
Gebruik je bronnen.
Let op dat je je bronnen goed verwerkt in je tekst.