Examentrainer weer en klimaat hoofdstuk 1

Welkom bij de examentraining Aardrijkskunde! 
1 / 26
next
Slide 1: Slide
AardrijkskundeMiddelbare schoolvmbo g, tLeerjaar 4

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Welkom bij de examentraining Aardrijkskunde! 

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Lesplanning 
Aanwezigheid

Mededelingen: Examen aardrijkskunde vrijdag 16 mei 2025 13:30 - 15:30

Uitleg: herhaling hoofdstuk 1

Maak: vraag 1 t/m 4 uit het examen van 2024

Klassikaal bespreken: paar examenvragen

Lesafsluiter: specifieke vragen over het onderwerp



Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Wat weet jij nog van het weer/klimaat?

Slide 3 - Mind map

This item has no instructions

Het weer
Het weer speelt zich af in de atmosfeer. Het is
de toestand van de atmosfeer op een bepaald moment, in een bepaald gebied. 

In een weerbericht/weerkaart kun je belangrijke  weerelementen herkennen:
  • Temperatuur (graden celsius)
  • Neerslag (mm)
  • Windkracht (Beaufort) / luchtdruk (hPa)
  • Bewolking (bewolkingsgraad)
  • Zonkracht (UV-straling)

Als de bewolkingsgraad hoog is, is de zonkracht kleiner. De UV-straling bereikt de aarde minder. waardoor het kouder is.

 Weerbericht/weerkaart 
Vraag: Wat voor weer wordt het de komende twee dagen? 
  • Regen
  • Sneeuw 
  • Hagel
  • Ijzel
  • Mist

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

Het klimaat
Het klimaat is het gemiddelde 
weer over een langere periode (30 jaar) in een bepaald gebied. 

  • Alle weerelementen spelen een rol bij het ontstaan van de klimaten op aarde. 
  • Vooral de temperatuur en neerslag bepalen of mensen, dieren en planten in een gebied kunnen leven. 

Het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) houdt de metingen voor het weer en klimaat in Nederland bij.


Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Klimaatgrafiek
Een klimaat wordt bijgehouden in een klimaatgrafiek.

Hoe lees je een klimaatgrafiek af?
  • Rodelijn: De gemiddelde temperatuur in °C, wordt weergegeven aan de rechterkant.
  • Blauwe staafjes: De gemiddelde neerslag in mm, wordt weergeven aan de linkerkant.
  • De letters onderaan staan voor de maanden.

Aan de klimaatgrafiek kun je ook aflezen met welk klimaat je te maak hebt. Dit moet je oefenen!


Plaatsje in de Austalische outback
Woestijnklimaat
  • Er valt minder dan 250 mm neerslag
  • Hoge jaarlijkse temperatuur 
Stad in het noorden van Canada
Poolklimaat
  • De temperatuur van de warmste maand zit tussen de 0°C en de 10°C
  • De neerslag die valt is meestal sneeuw
Plaatsje in Brazilië
Tropisch regenwoudklimaat
  • De koudste maand is boven de 18°C
  • er valt meer dan 2000 mm aan neerslag per jaar
De Bilt - Utrecht
Gematigde zeeklimaat
  • Gemiddelde warmste maand: 18°C
  • Gemiddelde koudste maand: 3°C
  • Totaal neerslag per jaar: ±800 mm

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

Klimaatfactoren
De vijf klimaatfactoren bepalen het klimaat in een gebied:

1. Breedteligging
2. Hoogteligging
3. Invloed van wind- en oceaanstromingen
4. Afstand tot zee
5. Gesteldheid van het aardoppervlak

Slide 7 - Slide

This item has no instructions

Klimaatfactor: 
afstand tot de zee
Invloed van de zee en wind op de temperatuur en neerslag
  • Regel 1: hoe verder van de zee hoe kleiner invloed van de zee.
  • Regel 2: hoe dichterbij de zee hoe grote invloed van de zee.

Het gematigd zeeklimaat ontstaat door de tweede regel.

De eerste regel geldt bij het ontstaan van landklimaat.
Zomersituatie:
In de zomer geeft de zee het een fris windje. Hierdoor zijn de zomers nooit heet. 
De wind van zee zorgt ook voor neerslag het hele jaar door.
Wintersituatie:
In de winter geeft de zee een warm windje. Hierdoor is het in de winter nooit koud. 

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

Klimaatfactor: 
gesteldheid van het aardoppervlak
Het soort oppervlak die de zon verwarmt.

  • Regel 1: Water warmt langzamer op en koelt ook langzamer af dan land.
  • Regel 2 Land koelt sneller af en warmt ook sneller op dan water.

Regel 1 geldt voor Nederlandse de zomer en winter situatie.
Het klimaat in Nederland wordt beïnvloed door de zee.

  • Doordat de zee langzaam afkoelt geeft het warmte af in de winter.

  • Doordat de zee langzaam opwarmt geeft het koelte in de zomer.

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

Klimaatfactor: 
Breedteligging
A: op lage breedte, dichtbij de evenaar.
Zonnestralen leggen korte afstand af en heeft een kleine invalshoek. Waardoor er een kleiner oppervlak wordt verwarmd. Hierdoor wordt het warmer.  
  • Regel 1: hoe dichterbij de evenaar hoe warmer

B: op hoge breedte, verder van de evenaar.
Zonnestralen leggen lang afstand af en heeft een grote invalshoek. Waardoor er een groter oppervlak wordt verwarmd. Hierdoor wordt het kouder.
  • Regel 2: hoe verder van de evenaar hoe kouder



A
Rond de evenaar, tussen 23,5 graden noorderbreedte (Kreeftskeerkring) en de 23,5 zuiderbreedte (Steenbokskeerkring) in dit gebied heeft de zon een kleine invalshoek. Waardoor er een kleiner oppervlak wordt verwarmd, hierdoor is de temperatuur hoger. 
B
Rond tussen 23,5 graden noorderbreedte (Kreeftskeerkring) en de 66,5 noorderbreedte (Noordpoolcirkel) in dit gebied heeft de zon een grote invalshoek. Waardoor er een groter oppervlak wordt verwarmd, hierdoor is de temperatuur lager. 

Slide 10 - Slide

This item has no instructions

Klimaatfactor: 
hoogteligging
Regel 1: Hoe hoger je komt, hoe kouder het wordt.

Regel 2: 1000 meter omhoog is 6°C kouder.


De dampkring wordt van onderaf opgewarmd! 
De zon warmt namelijk het aardoppervlak op.
Voorbeeld
Hoe warm is het op de top?
De berg 4 km hoog is.
In het dal is het 18°C.

4 km x 6°C = 24°C
18°C - 24°C= -6°C

Dus op de top van de berg is het -6°C!

Slide 11 - Slide

This item has no instructions

Klimaatfactor: 
wind en oceaanstromen 


Wind en zeestromen transporteren warmte vanaf de evenaar en kou vanaf de poolstreken.

  • Regel 1: Warme zeestromen zorgen warme wind en daardoor een warmer klimaat ontstaat.
  • Regel 2: Koudere zeestromen zorgen koude wind en daardoor een kouder klimaat ontstaat.

warme wind van zee neemt ook wolken met zich mee waardoor er neerslag kan vallen.

Gebieden aan zee valt voldoende neerslag. 

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

Luchtdruk
Luchtdruk: het gewicht van de lucht wat op de aarde drukt.
  • Meten        barometer
  • Eenheid       hectopascal (hPa), millibar(Mb)

Regel 1: Lucht stroomt ALTIJD van hoog naar Laag. 

Je voelt en ziet deze luchtstromen als wind!


Slide 13 - Slide

This item has no instructions

Wind
Wind is verplaatsing van lucht tussen hoge druk gebied en lage druk gebied.

Regel: Hoe groter het verschil in luchtdruk, hoe harder het waait.

Dit kun je zien door lijnen van gelijke druk = isobaren. 
veel lijnen bij elkaar, groot luchtdruk verschil.
weinig lijnen bij elkaar, klein luchtdruk verschil.

De windkracht wordt gemeten op de schaal van Beaufort: Windkracht 1 t/m 12

Slide 14 - Slide

This item has no instructions

Hoge druk 
Ontstaan hoge druk
1. Lucht komt van hoog uit de atmosfeer, daar is het zeer koud! (-50°C a -60°C)
2. Koude lucht is zwaar waardoor het daalt,
3. Lucht warmt op wanneer het daalt, wolken lossen hierdoor op.
4. Aan het aardoppervlak ontstaat er een overvloed aan luchtdeeltjes.

Weer bij een hoge drukgebied:
  • Mooi zonnig weer met geen bewolking.

boven de 1013 hPa = hoge druk gebied
Een hoge druk gebied wordt ook wel een maximum genoemd.

Slide 15 - Slide

This item has no instructions

Lage druk
Ontstaan lage druk
1. Warme lucht stijgt op van het aardoppervlak 
2. Warme lucht is licht, waardoor het opstijgt
3. Lucht koelt af wanneer het opstijgt, hierdoor ontstaan wolken.
4. Aan het aardoppervlak zijn er minder luchtdeeltjes.

Weer bij een lage drukgebied:
  • Slecht weer met veel bewolking en kans op neerslag 

Onder de 1013 hPa = lage druk gebied
Een lage druk gebied wordt ook wel een minimum genoemd. 

Slide 16 - Slide

This item has no instructions

Luchtvochtigheid
Luchtvochtigheid = de hoeveelheid waterdamp die lucht bevat.  
  • vochtige lucht / natte lucht: lucht met veel waterdamp  
  • droge lucht: lucht met weinig waterdamp


Regel 1: Warme lucht kan goed waterdamp vasthouden.
Regel 2: koude lucht houdt waterdamp slecht vast.
4. Vochtige lucht koelt af en condenseert tot wolken.   
5. Als de druppels te groot worden kunnen ze niet meer blijven zweven maar vallen door de zwaartekracht naar beneden          NEERSLAG!
Ontstaan van wolken/neerslag:
1. Water wordt verwarmd door de zon.
2. Het water verdampt          waterdamp.
3. Vochtige lucht stijgt op.

Slide 17 - Slide

This item has no instructions

De waterkringloop
Verdamping oppervlaktewater
Verdamping in vegetatie
Water zakt de grond in
Vloeibaar naar gasvormig
Gasvormig naar vloeibaar
Opgeslagen in de vorm van ijs
Motor van de kringloop van het water
De waterkringloop
Afstroming via rivieren, grondwater en oppervlakte naar de zee
Lange kringloop
Bij de lange kringloop valt de neerslag op het land en gaat het water via een 'omweg' terug naar zee.
Korte kringloop
Bij de korte kringloop ontstaan de buien boven zee en valt de neerslag gelijk weer terug in de zee. Daarna begint het weer opnieuw.
3 fasen
Water komt in 3 fasen
  • vast: ijs, sneeuw
  • vloeibaar: water
  • gas: waterdamp

Slide 18 - Slide

This item has no instructions

Wereldwijde 
luchtcirculatie 
Wet van Buys Ballot
1. Wind stroomt altijd van H        L
2. Op het noordelijk halfrond heeft de wind een afwijking naar rechts!
3. Op het noordelijk halfrond heeft de wind een afwijking naar links!

Afwijking ontstaat door het 

Afwisselend patroon:








Lage luchtdruk gebieden (L)
Hoge luchtdruk gebieden (H)
- rond de evenaar
- rond 60° NB 
- rond 60° ZB
- 90° NB en 90° ZB (poolgebieden)
- rond 30° NB 
- rond 30° ZB
Corioliseffect
Corioliseffect

Door de draaiing van de aarde zal de wind niet recht door waaien, maar krijgt een afwijking.

Voorbeeld: Bij een welbekend schietspel, moet er een vijand op een lange afstand worden neergeschoten, ook wel snipen. Je houdt rekening met de wind maar ook met de draaiing van de aarde. Je mikt daarom ook niet recht op het doel maar er een stukje ernaast. De kogel gaat recht doorde lucht, maar het doel beweegt met de draaiing van de aarde mee, met een snelheid van 1.670 km per uur.

Slide 19 - Slide

This item has no instructions

Wereldwijde luchtcirculatie 

Slide 20 - Slide

Beschrijving:
Hogedrukgebieden gaan gepaard met dalende luchtbewegingen, terwijl bij lagedrukgebieden de lucht stijgt. Hierdoor ontstaat er respectievelijk een overschot en tekort aan lucht. Bij lagedrukgebieden is sprake van stijgende lucht en daarmee vorming van wolken, buien en regengebieden. Onbestendig weer dus. Bij hogedrukgebieden is sprake van dalende luchtbeweging, uitdroging van lucht en vaak weinig wolken.
In de tropen
  • Veel zon.
  • Sterke opwarming van lucht.
  • Warme lucht stijgt op, koelt af, condenseert, wolken, veel neerslag.
  • Tropen ligt in een lagedrukgebied.

Een stortbui aan het einde van de dag in de tropen.

Slide 21 - Slide

This item has no instructions

Rond de polen
  • Weinig zon.
  • Veel koude lucht.
  • Koude lucht daalt en zorgt voor een heldere lucht.
  •  De polen liggen in een hogedrukgebied.
De lucht boven Antarctica is koud en daalt. Hier heerst aan het aardoppervlak dan ook altijd een hoge luchtdruk.

Slide 22 - Slide

This item has no instructions

Tussen de evenaar en de polen
  • Hier daalt de lucht rond 30⁰ N.B. en 30⁰ Z.B.
  • Dalende lucht zorgt voor een hogeluchtdrukgordel met hoge temperaturen en weinig neerslag.

Slide 23 - Slide

This item has no instructions

Rond 50° tot 60° N.B. en Z.B.
  • Hier botsen koude lucht vanuit de polen en warme lucht vanaf de evenaar.
  • Er ontstaan depressies - frontale neerslag.
  • Op deze breedte ligt dan ook een gordel met lage luchtdruk (minimum).

Slide 24 - Slide

This item has no instructions

Aan het werk 
Wat?
 Vraag 1 t/m 4 uit het examen van 2024
Hoe?
Zelfstandig in stilte
Hulp
Brein, Boek, Buur, Bureau 
Tijd
Timer

Daarna bespreken we een paar examenvragen


Klaar?
Lees hoofdstuk 2 door

timer
10:00

Slide 25 - Slide

This item has no instructions

Welke vragen heb jij
over hoofdstuk 1?

Slide 26 - Mind map

This item has no instructions