6.3 Soorten in hun omgeving

6.3
Soorten in hun omgeving 
1 / 43
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

This lesson contains 43 slides, with interactive quizzes, text slides and 3 videos.

Items in this lesson

6.3
Soorten in hun omgeving 

Slide 1 - Slide

Vandaag
- Herhaling 6.1 en 6.2
-Uitleg 6.3
-Verwerken 6.3 

Slide 2 - Slide

Herhaling

Slide 3 - Slide

Versnippering leidt binnen populaties tot...
A
Meer genetische diversiteit
B
Minder genetische diversiteit
C
Inteelt
D
herintroductie

Slide 4 - Quiz

Invloeden op de populatiegrootte
  • Voedselrelaties
  • Parasitisme
  • Ziekte
  • Concurrentie 
  • Geboorte
  • Sterfte 
  • Migratie

Slide 5 - Slide

Populatiegrootte

Slide 6 - Slide

Katten die gevangen en gemerkt worden laten zich moeilijker terugvangen.
Wordt de populatie dan toch goed geschat of te klein of te groot?
A
goed
B
te klein
C
te groot

Slide 7 - Quiz

Als het aantal roofdieren afneemt, zal de populatiegrootte van de prooidieren...
A
Afnemen
B
Toenemen

Slide 8 - Quiz

20 kikkers gevangen in een vijver en gemerkt.
Terugvangen van 24 kikkers levert 15 gemerkte kikkers op.
Hoe groot wordt de populatie geschat?
A
30
B
120
C
32
D
5

Slide 9 - Quiz

6.3
Soorten in hun omgeving 

Slide 10 - Slide

Populatie
Grootte van een populatie is afhankelijk van abiotische en biotische factoren.



biotisch
predatie
voedsel
concurrentie
abiotisch
bosbrand
strenge vorst
droogte

Slide 11 - Slide

Factoren die de populatie grootte beïnvloeden kun je verdelen in twee groepen:
Abiotische factoren
zijn facoren uit de levensloze natuurlijke omgeving.

Temp, licht, O2, neerslag, wind, mineralen

Biotische factoren
zijn factoren veroorzaakt door de levende natuurlijke omgeving.

Voedsel, concurrentie, vijanden, bomen voor nesten.


Slide 12 - Slide

Geef een voorbeeld van een biotische factor en van een abiotische factor

Slide 13 - Open question

abiotisch                  biotisch

Slide 14 - Slide

Tolerantie voor factoren
Soorten passen zich aan aan hun habitat, de leefomgeving van een soort met zijn specifieke biotische en abiotische factoren.

Organismen kennen een optimum voor elke factor in hun habitat.
Daarnaast kennen organismen ook minimum- en maximumwaardes waarbinnen ze kunnen leven, de tolerantiegrenzen

Slide 15 - Slide

Leg uit hoe dit een van de redenen kan zijn voor het verdwijnen van soorten door klimaatverandering?

Slide 16 - Open question

Slide 17 - Slide

Tolerantiegebied
Het tolerantiegebied is het gebied waarin de organismen kunnen overleven. Voor een guppy ligt het tolerantiegebied tussen 5 °C en 38 °C.

Slide 18 - Slide

Slide 19 - Slide

Is het tolerantiegebied van een organisme een biotische factor of een abiotische factor?
A
Biotische factor
B
Abiotische factor

Slide 20 - Quiz

Wie heeft het grootste tolerantiegebied?

Slide 21 - Open question

Wie heeft hoogste optimumtemperatuur?

Slide 22 - Open question

Wat betekent het voor een vis als de temperatuur onder zijn tolerantiegebied komt?
A
hij gaat meteen dood
B
hij kan niet succesvol voortplanten
C
hij gaat na een tijdje dood
D
hij heeft geen zin meer in biologie

Slide 23 - Quiz

Slide 24 - Slide

Wat is de draagkracht in de grafiek? Welke factor is het meest bepalend voor deze draagkracht?

Slide 25 - Open question

De habitat is de levensomgeving van plant /schimmel /dier/bacterie. De plaats waar het leven van een soort zich voor het grootste gedeelte afspeelt. Bij planten wordt ook de term standplaats gebruikt ipv habitat.

Het gaat hier om een plek binnen het ecosysteem

Slide 26 - Slide

Slide 27 - Slide

Slide 28 - Slide

Verschil habitat - niche
  • habitat is het "adres" 
  • niche het "beroep"/de "Rol" in het ecosysteem

Slide 29 - Slide

Soorten leven samen in een bepaald ecosysteem.  Soorten kunnen (gedeeltelijk) dezelfde habitat hebben. Dit kan omdat ze een verschillende rol of functie hebben
De rol of functie noem je de niche van een soort.


Als we spreken over de niche van een soort dan hebben we het over de interactie van de soort met het ecosysteem
Vb boom: beschutting, nestgelegenheid, schaduw en voedselbron
Heel simpel gezegd is habitat het adres en niche het beroep.

Slide 30 - Slide

Niche = de rol die een organisme speelt in een ecosysteem.
Door verschillen in niche kunnen verschillende soorten samenleven in dezelfde habitat.

Slide 31 - Slide

Ecosysteem/ habitat/ niche
De niche in het overlappende 
deel van de habitat bepaalt
of de soorten elkaar kunnen
beïnvloeden.

Overlapt de niche dan is sprake
van concurrentie.



Verschillende habitats in een ecosysteem

Slide 32 - Slide

Geef je antwoord op de volgende slide

Slide 33 - Slide

Geef hier je antwoord van de vorige slide
A
A
B
B
C
C
D
D

Slide 34 - Quiz


Op de X-as van deze grafiek wordt de vochtigheid van de grond weergeven. Op de Y-as zie je de overlevingskansen van  de verschillende planten soorten a, b, c en d
Welke van de uitspraken is niet waar.
A
Binnen de tolerantie grenzen van c komen soort d en b ook voor.
B
Soort b heeft een grotere tolerantiegrens en is daarom beter bestand tegen schommelingen
C
Soort a en c komen niet naast elkaar voor in een gebied.
D
Bij de optimum waarde van a kunnen soorten b, c en d niet overleven.

Slide 35 - Quiz

Door verschillen in niche kunnen verschillende soorten samenleven in dezelfde habitat.

Slide 36 - Slide

Slide 37 - Slide

Slide 38 - Video

Slide 39 - Video

Slide 40 - Video

De niche van een soort hangt af van zijn habitat
A
juist
B
onjuist

Slide 41 - Quiz

Twee soorten met een overlap in habitat en niche zijn concurrenten.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 42 - Quiz

Nu en huiswerk
-Lees paragraaf 6.3
-Maak opdracht (1, 2, 3) 4 t/m 8 
Na deze week klaar. Morgen ook nog wat tijd in de les. 

Slide 43 - Slide