"oefentoets" H5 Geluid

Welke drie dingen heb je nodig om geluid te horen?
(In de juiste volgorde)
A
Bron, tussenstof en ontvanger
B
Bron, ontvanger en tussenstof
C
Ontvanger, tussenstof en bron
D
Speaker, tussenstof en ontvanger
1 / 38
next
Slide 1: Quiz
Natuurkunde / ScheikundeMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 4

This lesson contains 38 slides, with interactive quizzes.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Welke drie dingen heb je nodig om geluid te horen?
(In de juiste volgorde)
A
Bron, tussenstof en ontvanger
B
Bron, ontvanger en tussenstof
C
Ontvanger, tussenstof en bron
D
Speaker, tussenstof en ontvanger

Slide 1 - Quiz

Als de druk stijgt, bewegen je trommelvliezen naar binnen. Als de druk daalt, bewegen ze weer naar buiten.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 2 - Quiz

Hoe bereken je de afstand die geluid aflegt?
A
s = v x t
B
v = s x t
C
v = s : t
D
s = v : t

Slide 3 - Quiz

Je luistert naar muziek uit een Speaker. Je wilt weten hoever de speaker bij jou vandaan staat. Het geluid doet er 0,05 s over om bij jouw oren te komen.
Gebruik bij de som de snelheid van geluid in lucht (Bij 293 graden kelvin).
A
6860 m
B
6860km
C
17,15 km
D
17,15 m

Slide 4 - Quiz

Je plaatst nu de speaker van de vorige vraag iets verder weg, namelijk op 20 meter.

Wat is de tijd die het geluid nodig heeft om bij jouw oren te komen?
A
0,06 s
B
0,055 s
C
0,058 s
D
0,068 s

Slide 5 - Quiz

geluidsnelheid door lucht is niet altijd precies 343 m/s. Als het kouder is gaat deze bijvoorbeeld langzamer.
Wat is de snelheid door lucht bij een koudere lucht?

A
202 m/s
B
302 m/s
C
332 m/s
D
343 m/s

Slide 6 - Quiz

Geluid kan zich in de Ruimte verplaatsen.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 7 - Quiz

Met welk apparaat kan je onderzoeken hoe hoog en hoe hard geluid is?
A
Stethoscoop
B
Stroboscoop
C
Oscilloscoop
D
Loboscoop

Slide 8 - Quiz

Wat wordt er bedoeld met frequentie?
A
Het aantal trillingen in 1 seconden
B
De frequentie voor het aantal trillingen
C
De tijd die nodig is voor 1 trilling
D
Het aantal trillingen in een frequentie

Slide 9 - Quiz

Frequentie bereken je door?
A
F = t / 1
B
F = t x 1
C
F = 1 / t
D
F= 1 x t

Slide 10 - Quiz

Hiernaast zie je twee beelden gemeten door een oscilloscoop.
Welke bewering is waar?
A
De toon van de onderste trilling is hoger
B
De toon van de onderste trilling is lager
C
Het volume van de onderste trilling is hoger
D
Het volume van de onderste trilling is lager

Slide 11 - Quiz

Stel de frequentie van de onderste golf is 55 Hz, wat is dan de trillingstijd?
A
50 s
B
0,5 s
C
0,18 s
D
0,018 s

Slide 12 - Quiz

Wat is de frequentie van de bovenste trilling? Als de trillingstijd 0,03 s is.
A
0,03 Hz
B
3,3 Hz
C
33,3 Hz
D
333 Hz

Slide 13 - Quiz

Geluid dat niet direct terugkaatst noem je Echo
A
Waar
B
niet waar

Slide 14 - Quiz

Een echolood wordt gebruikt in vliegtuigen om te kijken hoever boven de grond ze vliegen.
A
Waar
B
niet waar

Slide 15 - Quiz

Wat is het frequentie bereik van mensen?
A
0 - 20.000 Hz
B
20 - 20.000 Hz
C
0 - 10.000 Hz
D
20 - 10.000 Hz

Slide 16 - Quiz

Boven welke frequentie is het ultrasoon geluid?
A
10000 Hz
B
20000 Hz
C
30000 Hz
D
40000 Hz

Slide 17 - Quiz

Waarvan is de toonhoogte van snaar instrumenten niet afhankelijk?
A
Spanning van de snaar
B
Dikte van de snaar
C
De kleur van de snaar
D
Lengte van de snaar

Slide 18 - Quiz

Wat is de Amplitude van een golf?
A
De grootste uitwijking van een golf
B
De hoeveelheid golven
C
Een foto van het scherm van een Oscilloscoop
D
Het verschil tussen een top en een dal van de golf

Slide 19 - Quiz

Wat is de afstand van één golf
A
a
B
b
C
c
D
d

Slide 20 - Quiz

Wat is de amplitude van een trilling?
A
a
B
b
C
c
D
d

Slide 21 - Quiz

Als de Amplitude 2x zo groot is dan is geluid 2x zo luid.

A
Waar
B
Niet Waar

Slide 22 - Quiz

Geluidsterkte kun je meten. Waarin wordt geluidsterkte gemeten?
A
Amplitude
B
Decibel
C
Hertz
D
Trillingstijd

Slide 23 - Quiz

Wat is het verschil tussen toonhoogte en geluidsterkte? (Er zijn er twee mogelijk)
A
Toonhoogte = aantal trillingen
B
Toonhoogte = grootte van trillingen
C
Geluidsterkte = grootte van trillingen
D
Geluidsterkte = aantal trillingen

Slide 24 - Quiz

Bij de geluidsterkte heb je de gehoordrempel en de pijngrens. Wat is waar?
A
De gehoordrempel ligt bij 0 dB(A), de pijngrens ligt bij 100 dB(A)
B
De gehoordrempel ligt bij 40 dB(A), de pijngrens ligt bij 100 dB(A)
C
De gehoordrempel ligt bij 0 dB(A), de pijngrens ligt bij 140 dB(A)
D
De gehoordrempel ligt bij 40 dB(A), de pijngrens ligt bij 140 dB(A)

Slide 25 - Quiz

Er schreeuwen 4 leerlingen op 90 dB(A).
Hoeveel Decibel is dit in totaal.
A
90 dB(A)
B
360 dB(A)
C
93 dB(a)
D
96 dB(A)

Slide 26 - Quiz

Welk onderdeel in een microfoon zorgt voor de wisselspanning
A
Het membraam
B
De Conus
C
De versterker
D
De squawker

Slide 27 - Quiz

Een microfoon levert ..... aan een versterker
A
Wisselstroom
B
Wisselspanning
C
Gelijkstroom
D
Gelijkspanning

Slide 28 - Quiz

De spanning die een microfoon aan de versterk levert is ongeveer ..... groot
A
50 Megavolt
B
50 kilovolt
C
50 volt
D
50 millivolt

Slide 29 - Quiz

De equalizer in een versterker veranderd de:
A
Toonhoogte van bepaalde frequentie gebieden
B
De amplitude in bepaalde frequentie gebieden
C
De frequentie in bepaalde amplitude gebieden
D
Zorgt voor een leuke naam in de versterker

Slide 30 - Quiz

Een versterker veranderd de
A
Amplitude
B
Toonhoogte
C
Frequentie
D
de microfoon

Slide 31 - Quiz

Een luidspreker ontvangt
A
wisselspanning van de microfoon
B
wisselspanning van de versterker
C
wisselspanning van de permanente magneet
D
Wisselspanning van de conus

Slide 32 - Quiz

De conus is de ...
A
Permanente magneet in een luidspreker
B
De spoel in de luidspreker
C
De trechtervormige kap in een luidspreker
D
Een squawker

Slide 33 - Quiz


Hoe werkt geluidsisolatie ?
A
Geluidsisolatie kaatst geluid terug
B
Geluidsisolatie zorgt dat er minder geluid doorkomt
C
Geluidsisolatie neemt trillingen van de lucht in zich op

Slide 34 - Quiz

Een Woofer is ontwikkeld voor
A
Lage tonen
B
Midden tonen
C
Hoge tonen

Slide 35 - Quiz

Tegen geluidshinder van het verkeer kunnen verschillende maatregelen worden genomen. Een voorbeeld van een maatregel bij de bron is:
A
Een geluidswal plaatsen
B
Geluidsarm asfalt gebruiken
C
Geluidsisolatie in woningen plaatsen
D
Grote bedrijfsgebouwen langs de weg plaatsen

Slide 36 - Quiz


Tegen geluidshinder van het verkeer kunnen verschillende maatregelen worden genomen. Een voorbeeld van een maatregel bij de tussenstof is:
A
Een geluidswal plaatsen
B
Geluidsarm asfalt gebruiken
C
Geluidsisolatie in woningen plaatsen
D
Grote bedrijfsgebouwen langs de weg plaatsen

Slide 37 - Quiz


Welke geluiden veroorzaken zeker schade aan je oren?
A
Geluiden boven de 80 hertz
B
Geluiden boven de 80 decibel
C
Geluiden boven de 140 decibel
D
Geluiden boven de 20.000 hertz

Slide 38 - Quiz