36. Stunde 2HV 24-25

 2 Min. Zeit läuft jetzt
1 / 45
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

This lesson contains 45 slides, with interactive quizzes, text slides and 3 videos.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

 2 Min. Zeit läuft jetzt

Slide 1 - Slide

Herzlich Willkommen
                  1.Setz dich bitte.

                  2. Lege dein AB, TB, Heft und Kuli auf den Tisch.

                 3. Ruhe.

Slide 2 - Slide

Dein Lernziel
Du kannst Fragen über Lesetexte beantworten
Du kennst die Namen von Kleidern auf Deutsch

Slide 3 - Slide

Was machen wir heute?
Datum Prüfungen
HA- Kontrolle
 S: 13: Grammatik   - Kontrolle             
 Lezen : Klamotten- Fragen beantworten
Wortschatz: Klamotten - Kontrolaufgabe
Toets (besprechen?)




Slide 4 - Slide

Toetsen Periode 3
week 16: 17/ 4 (do)Toets: WS (S8-16 ) + GR: Verben/Fälle (3x)
week 21: 23/5 (vr)   Luistertoets (3x)
week 26: toetsweek:  Lezen + Grammatica of  alleen Lezen (wb)

week 15: Rollenspiel/ Präsentation: Kleider kaufen/ Modeshow
week 23: Rollenspiel: im Restaurant
week 24: Bewertung Schreiben ( optioneel voor een cijfer)

Slide 5 - Slide

Toetsen Periode 3
week 16: 15/ 4 (di)Toets: WS (S8-16 ) + GR: Verben/Fälle (3x)
week 21: 23/5 (vr)   Luistertoets (3x)
week 26: toetsweek:  Lezen + Grammatica of  alleen Lezen (wb)

week 15: Rollenspiel/ Präsentation: Kleider kaufen/ Modeshow
week 23: Rollenspiel: im Restaurant
week 24: Bewertung Schreiben ( optioneel voor een cijfer)

Slide 6 - Slide

Rolle A
Hallo, hoe gaat het met jou?
Hoeveel zakgeld krijg jij?
Wat doe je met jouw zakgeld?
Krijg je genoeg ( genug) zakgeld?
Wat kan je doen voor (für) meer zakgeld?



Rolle B
Hallo, het gaat goed.
Ik krijg ..............Euro per maand.
Eigen antwoord.
Nee, ik heb niet genoeg zakgeld.
Eigen antwoord.

Slide 7 - Slide

Rolle A
Hallo, wie geht es dir?
Wieviel Taschengeld bekommst du?
Was machst du mit deinem Taschengeld?



Bekommst du genug Taschengeld?

Was kannst du machen für mehr T.?
Rolle B
Hallo, es geht mir gut
Ich bekomme...........Euro pro Monat.
Ich kaufe damit Süßigkeiten, ich kaufe damit Kleider/Klamotten, Ich kaufe damit Spiele. Ich spare mein Taschengeld

Nein, ich habe nicht genug Taschengeld.
Ich könnte sparen. Ich könnte .....

Slide 8 - Slide

Was stimmt?
Wie geht es dir?
Mich/Mir/Mit mir geht es gut!
A
Mich
B
Mir
C
Mit mir

Slide 9 - Quiz

Ich langweile ..............
A
mir
B
mich

Slide 10 - Quiz

Was für ein Geschenk (o) hast du
(voor mij)................. gekauft?
A
mich
B
mir
C
mein
D
für mich

Slide 11 - Quiz

Wie geht es euch?

Slide 12 - Slide

Wie geht es euch? 

Slide 13 - Slide

                Wiederholung
1. haben/ sein vervoegen                     8.  naamval:1e + 4e naamval
2. zwak werkwoord vervoegen          9. persoonlijke vnw
3. tellen
4. kloktijd
5. w-vragen
6. sterke werkwoorden
7.  bezittelijke vnw                                

Slide 14 - Slide

                      Schritt 13
Was lernen wir in Schritt 13?     

Aufgaben   : S. 36 -S. 38    / Nr.  13A -13E        machen  / Besprechen               
timer
15:00

Slide 15 - Slide

Slide 16 - Video

Slide 17 - Video

Slide 18 - Video

HA für Montag

Lernen:  
Wortschatz :   Wortschatz : Kleider (S. 136 ) (S13 herhalen )

Machen:
                       



Slide 19 - Slide

Rolle A
Hallo, hoe gaat het met jou?
Wat doe je vandaag?
Hoe laat begint jouw school?
Wat is jouw lievelingsvak?
Wanneer is jouw eerste pauze?
Hoe laat ben je klaar ?
Wat doe je vanavond?
Hoe laat ben je thuis?


Rolle B
Hallo, het gaat goed.
Ik ga naar school.
Mijn school begint om 8.30 uur
Muziek vind ik leuk.
Wij hebben om 11 uur pauze.
Ik ben om 14.20 uur klaar.
Ik heb hockey.
Ik ben om 19.45 uur thuis.

Slide 20 - Slide

Rolle A
Hallo, wie geht es dir?
Was machst du heute?
Wie spät fängt die Schule an?
Was ist dein Lieblingsfach?
Wann hast du die erste Pause?
Wie spät bist du fertig?
Was machst du heute Abend?
Wie spät bist du zu Hause?

Rolle B
Hallo, es geht mir gut
Ik gehe in die Schule.
Meine Schule fängt um 8.30 Uhr an.
Musik macht Spaß/ finde ich toll.
Wir haben um 11 Uhr Pause
Ich bin um 14.20 Uhr fertig.
Ich habe Hockey. 
Ich bin um 19.45 Uhr zu Hause.

Slide 21 - Slide

      Wortschatz/ Übersetze
1. de buurman heeft dorst.
2. hoe laat komt zijn broer?
3. het meisje heeft geen honger.
4. Ich habe meine Grundschule abgeschlossen
5. Ich fange jeden Tag um 8 Uhr an.
6. Manchmal finde ich Mathe schwierig.

Slide 22 - Slide

      Wortschatz/ Übersetze
1. de buurman heeft dorst.
2. hoe laat komt zijn broer?
3. het meisje heeft geen honger.
4. Ik heb mijn basisschool voltooid.
5. ik begin iedere dag om 8 uur.
6. Soms is wiskunde moeilijk.

Slide 23 - Slide

      Wortschatz/ Übersetze
1. Meine Mutter liest jeden Abend ein Märchen vor.
2. Wir haben noch zu wenig gelernt.
3. Kannst du mir einige Beispiele nennen.
4. Zum Geburtstag habe ich viele (cadeau's) bekommen.
5. Kannst du das bitte stehen (laten).
6. Ich finde deine ( tekeningen) immer toll.

Slide 24 - Slide

      Wortschatz/ Übersetze
1. Meine Mutter liest jeden Abend ein sprookjevor.
2. Wir haben noch zu wenig geleerd.
3. Kannst du mir einige voorbeelden nennen.
4. Zum Geburtstag habe ich viele (Geschenke) bekommen.
5. Kannst du das bitte stehen (lassen).
6. Ich finde deine ( Zeichnungen) immer toll.

Slide 25 - Slide

      Wortschatz/ Übersetze
1. Der Nachbar hat Durst
2. Wie spät kommt sein Bruder?
3. Das Mädchen hat keinen Hunger.
4. Ich habe meine Grundschule abgeschlossen.
5. Ich fange jeden Tag um 8 Uhr an.
6. Manchmal finde ich Mathe schwierig.

Slide 26 - Slide

Was haben wir bisher gelesen?

Slide 27 - Slide

Waarom heet Albert Einstein?
A
hij is goed in Natuurkunde
B
het is zijn achternaam
C
hij is een genie in wiskunde
D
hij is een genie op school

Slide 28 - Quiz

wat betekent: von der Schule fliegen
A
van school afgaan
B
blijven zitten
C
van school vliegen

Slide 29 - Quiz

Wat weet je over Dr. Schmidt?
A
hij is aardig
B
hij is heel modern
C
hij geeft Duits
D
zijn leerlingen vinden hem niet leuk

Slide 30 - Quiz

welke bewering klopt niet
A
Moon 's moeder komt uit Korea
B
Olli's oma is op bezoek
C
Olli gedraagt zich de laatste tijd raar
D
Jessica en Einstein hebben een relatie

Slide 31 - Quiz

wie zoekt Einstein in hoofdstuk ( Kapitel) 1
A
Moon
B
Jessica
C
Olli
D
Dr. Schmidt

Slide 32 - Quiz

Wat wil Olli van Einstein in hoofdstuk ( Kapitel) 2?
A
hij wil Duits overschrijven
B
hij wil de antwoorden van de wiskunde toets
C
hij wil het huiswerk voor wiskunde
D
hij wil geld om eten te kopen

Slide 33 - Quiz

Noem 3 redenen waarom Einstein bezorgt is over Olli in hfst. 2?

Slide 34 - Open question

Wie ontmoet Olli in het internetcafé?
A
niemand
B
Jessica
C
Moon
D
Olli

Slide 35 - Quiz

Waarom komt Moon laat naar de afspraak (hfst3)

Slide 36 - Open question

Wat vertelt Moon over Olli in hfdst.3?
A
Dat hij met iemand naar de muziekschool is gegaan.
B
Dat hij bij bij starbucks werkt
C
Dat hij met zijn vriendin in de stad was
D
Dat hij geheimzinnig deed

Slide 37 - Quiz

Waarom valt Einstein van stoel? (hfstd 4)
A
hij voelde zich niet goed
B
stoel is kapot
C
hij wilde Olli helpen

Slide 38 - Quiz

Wat ziet Einstein in de Goethestraße? (hfstd 5)
A
hij zit zijn ouders op de markt
B
hij ziet Moon met Olli
C
hij ziet Olli met twee mannen
D
hij ziet Dr. Schmidt.

Slide 39 - Quiz

Wat staat in de krant die Einstein en Moon lezen in hfdst 6

Slide 40 - Open question

Waarom is Jessica woedend op zijn vrienden ( hfdstk 8)
A
ze hebben niet verteld dat ze een toets hebben
B
ze verdenken Olli van diefstal
C
ze hebben over haar geroddelt

Slide 41 - Quiz

Waarom gaan alle leerlingen bij Dr. Schmidt verzamelen (hfdst8)?

Slide 42 - Open question

Waarom kan Einstein nu gerust slapen?
A
hij weet dat Olli niets heeft gestolen in de muziekschool
B
hij had een leuke avond met Moon
C
hij is blij dat Olli nu meer tijd heeft voor zijn vrienden

Slide 43 - Quiz

Lesen
Ihr lest jetzt selbstständig Kapitel 2 und schreibt eine kurze Zusammenfassung (samenvatting) auf Niederländisch
Zeit:
timer
1:00

Slide 44 - Slide

Präsentation

Slide 45 - Slide