zinnen maken

Zinnen, woordjes, uitdrukkingen en tekst verklaren
1 / 24
next
Slide 1: Slide
NederlandsVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 1

This lesson contains 24 slides, with interactive quizzes and text slide.

time-iconLesson duration is: 40 min

Items in this lesson

Zinnen, woordjes, uitdrukkingen en tekst verklaren

Slide 1 - Slide

Maak een zin met: bevestigen

Slide 2 - Open question

Maak een zin met: nut

Slide 3 - Open question

Maak een zin met: bevinden (zich)

Slide 4 - Open question

Maak een zin met: standpunt

Slide 5 - Open question

Wat betekent:
Tussen de bedrijven door

Slide 6 - Mind map

Wat betekent:
zijn beste beentje voorzetten

Slide 7 - Mind map

De beest uithangen dat betekent...
A
het dier mag naar buiten
B
niet opletten
C
je misdragen
D
schelden

Slide 8 - Quiz

Iets op de lange baan schuiven=
A
het aan een ander geven
B
uitstellen tot later
C
schoonmaken
D
mogelijk maken

Slide 9 - Quiz

Maak een zin met : eventueel

Slide 10 - Open question

Maak een zin met: zekerheid

Slide 11 - Open question

voorbeeld van
instructie =

Slide 12 - Mind map

wat is de hoofdgedachte
van een tekst

Slide 13 - Mind map

Welke tekst doelen ken je?

Slide 14 - Open question

Welke lees strategieën ken je

Slide 15 - Open question

tegenstelling of voorbeeld:
Jan houdt van andijvie, Mieke daarentegen niet
A
tegenstelling
B
voorbeeld
C
weet ik niet
D
mening

Slide 16 - Quiz

tegenstelling/voorbeeld:
Ik hou van kebab en friet

Slide 17 - Mind map

Wat is een kenmerk
van een overtuigende tekst

Slide 18 - Mind map

Wat is een kenmerk
van een ingezonden brief

Slide 19 - Mind map

wat zijn kenmerken van een instructie?

Slide 20 - Open question

Een voorbeeld van
een overtuigende tekst is?

Slide 21 - Mind map

Voorbeeld van een instructie is?

Slide 22 - Mind map

Maak een zin met: verwerken

Slide 23 - Open question

Waar verlies je tijdens de toets onnodig punten mee?
A
Geen hoofdletter aan het begin van de zin.
B
Onduidelijk schrijven
C
Geen leesteken aan het einde van een zin.
D
Met een rode pen schrijven

Slide 24 - Quiz