inleiding: introductie onderwerp middenstuk: situatie vroeger, situatie nu slot: conclusie of voorspelling over situatie in de toekomst
A
argumentatiestructuur
B
voor- en nadelenstructuur
C
verleden-heden-toekomststructuur
Slide 2 - Quiz
inleiding: probleem middenstuk: gevolgen, oorzaken, oplossingen slot: afweging (bijvoorbeeld de beste oplossing), conclusie
A
aspectenstructuur
B
probleem-oplossingsstructuur
C
vraag-antwoordstructuur
Slide 3 - Quiz
maar, echter, toch, daarentegen, daar staat tegenover, desondanks, hoewel, niettemin, aan de ene kant (enerzijds) ... aan de andere kant (anderzijds) Welk verband wordt met deze woorden aangegeven?
Slide 4 - Open question
Schrijf twee zinnen: 1. Jouw mening over koffie 2. Een feit over koffie
Slide 5 - Open question
Slide 6 - Slide
Slide 7 - Slide
Slide 8 - Slide
Slide 9 - Slide
Slide 10 - Slide
Slide 11 - Slide
Slide 12 - Slide
Slide 13 - Slide
In een betoog kan een schrijver
A
eigen argumenten geven
B
argumenten van de tegenpartij weerleggen
C
zowel A als B
Slide 14 - Quiz
Ik heb de samenvatting al goed doorgenomen en een aantal oefenexamens gemaakt. Kortom, ik ben bijna klaar voor het examen!
Slide 15 - Poll
Lezen, luisteren, kijken 1.5 + 2.3
-> Je maakt alleen de extra opdrachten van 1.5 en 2.3
Let op, ik bekijk weer alle antwoorden ;)
Klaar?
1. Kijk of je 1.1 t/m 1.4 had afgerond. 60% of lager = opnieuw maken.
2. Maak als je klaar bent oefenexamens in Examensprint.