Domein E, F, G

Examentraining
Domein E, F, G
1 / 45
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

This lesson contains 45 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 90 min

Items in this lesson

Examentraining
Domein E, F, G

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Lesopbouw
1. herhaling theorie
2. samen oefenen
3. opgaves maken

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Ruilen over de tijd


Ruilen over de tijd betekent consumptie nu vervangen door consumptie in de toekomst (of andersom).

Prijs van tijd bij lenen/sparen?

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

tijdvoorkeur
Als je een hoge tijdvoorkeur hebt dan hou je niet van sparen of beleggen; je wil NU genieten van het geld dat je hebt en dus NU consumeren. 
Als je een lage tijdvoorkeur hebt dan vind je het niet erg om te wachten met consumeren; je spaart/belegt graag.
Waar is de tijdvoorkeur van afhankelijk?

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

Inflatie / deflatie
  • Het stijgen van de prijzen is inflatie


  • Het dalen van de prijzen in deflatie 

Slide 5 - Slide

Voorbeeld vragen aan de klas:

Als een fiets eerst €100,- kost de prijs stijgt naar € 200,- Is het Inflatie of deflatie

En Als een telefoon eerst €500 kost en nu € 400 is het Inflatie of deflatie
Begrotingssaldo 
Begrotingssaldo = Verschil tussen verwachten inkomsten en uitgaven.
Begrotingstekort= Meer uitgaven dan inkomsten.
Begrotingsoverschot =
Meer inkomsten dan uitgaven. 

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

Staatsschuld
  • Staatsschuld
  • Nederland 2020: 
  •      Schuld: €491mld
  •      Bbp: €778mld 

Slide 7 - Slide

This item has no instructions

Inkomsten overheid

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

Uitgaven overheid
  • Wegennet
  • Onderwijs
  • Salarissen ambtenaren
  • Zorg
  • Ziekenhuizen en andere zorginstellingen
  • Sociale zekerheid (uitkeringen)
  • Cultuur en wetenschap

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

Het groei en stabiliteitspact

Het groei en stabiliteitspact bestaat uit een aantal voorwaarden waaraan de lidstaten moeten voldoen om de inflatie te beperken.

Belangrijkste voorwaarden:
- staatsschuld mag niet boven 60% van het BBP uitkomen
- financieringstekort mag niet meer dan 3% van het BBP bedragen.

Slide 10 - Slide

This item has no instructions

De AOW
  • De AOW is geregeld in de Algemene ouderdomswet (AOW).
  • De AOW is gebaseerd op het omslagstelsel.
  • Een omslagstelsel is gevoelig voor veranderingen in de      bevolkingsopbouw.

Slide 11 - Slide

This item has no instructions

Kapitaaldekkingsstelsel
Een pensioenfonds (bedrijfspensioen) werkt volgens het kapitaaldekkingsstelsel.

De werkenden van nu betalen premie voor hun eigen pensioenuitkering voor later.

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

Indexcijfers


Formule: Indexcijfer jaar x =       getal jaar x
                                                                 getal basisjaar                 x 100

Slide 13 - Slide

This item has no instructions

Speltheorie

Producenten en consumenten moeten veel keuzes maken

We gebruiken in de economie vaak economiespellen om een echte situatie in theorie na te bootsen.

Dit heet speltheorie.


wiskundige manier om keuzeproblemen op te lossen. Gaat over gedrag van mensen. We gaan uit van rationeel gedrag



Slide 14 - Slide

This item has no instructions

simultaan / sequentieel spel
Simultaan spel: spelers moeten gelijktijdig hun actie bepalen.

Bij een sequentieel spel nemen de spelers na elkaar een beslissing. De eerste speler heeft daarbij wellicht voordeel, omdat hij rekening kan houden met de reactie van de andere speler.

Slide 15 - Slide

This item has no instructions

Spelers kiezen gelijktijdig
Eén speler kiest eerst
opbrengstenmatrix (simultaan spel)
spelboom (sequentieel spel)
Wat moet je kennen?

Slide 16 - Slide

This item has no instructions

DOMINANTE STRATEGIE
Een dominante strategie is een strategie die een partij het beste resultaat oplevert, onverschillig de keuze van de andere partij.


Slide 17 - Slide

This item has no instructions

Het nash-evenwicht​
Wat is het nash-evenwicht?

Een Nash-evenwicht is een situatie binnen de speltheorie waarbij geen enkele speler zijn opbrengst kan verbeteren door eenzijdig een andere keuze te maken.​

Slide 18 - Slide

This item has no instructions

Gevangenendilemma
Dominante strategie? Sub optimale uitkomst?

Slide 19 - Slide

This item has no instructions

Uitwerking gevangenendilemma
Bedrijf 1: Als bedrijf 2 zijn prijs verlaagt kan bedrijf 1 het beste kiezen voor prijs verlagen (winst 310 ipv 300). Als bedrijf 2 kiest voor prijs gelijkhouden dan kan bedrijf 1 het beste kiezen voor prijs verlagen (winst 420 ipv 330). Dus ongeacht wat bedrijf 2 doet bedrijf 1 kan het beste kiezen voor prijs verlagen want dat levert in beide situaties het meeste op.
Bedrijf 2: Als bedrijf 1 zijn prijs verlaagt kan bedrijf 2 het beste kiezen voor prijs verlagen (winst 410 ipv 400). Als bedrijf 1 kiest voor prijs gelijkhouden dan kan bedrijf 2 het beste kiezen voor prijs verlagen (winst 520 ipv 450). Dus ongeacht wat bedrijf 1 doet bedrijf 2 kan het beste kiezen voor prijs verlagen want dat levert in beide situaties het meeste op.
Conclusie: beide bedrijven hebben een dominante strategie voor prijzen verlagen maar dit is de sub-optimale utikomst want de winst voor beide bedrijven zou hoger zijn bij prijs gelijkhouden

Slide 20 - Slide

This item has no instructions

Spelboom, sequentieel spel

Slide 21 - Slide

This item has no instructions

Gevangendilemma
collectieve dwang
Meeliftersgedrag
Rationeel gedrag
zelfbinding
Er is sprake van zelfbinding als een partij vrijwillig afwijkt van zijn dominante strategie.

Bij zelfbinding ‘bindt’ een partij zich vrijwillig aan het maken van een bepaalde keuze.
Zelfbinding kan op allerlei manieren, maar wordt voor de tegenpartij pas geloofwaardig wanneer er kosten verbonden zijn aan het niet-uitvoeren van de voorgenomen strategie.

Slide 22 - Slide

This item has no instructions

Verzonken kosten

Verzonken kosten zijn kosten die al gemaakt zijn en niet kunnen worden teruggedraaid vanwege het specifieke karakter van de uitgave.

Slide 23 - Slide

This item has no instructions

Risico en informatie

Slide 24 - Slide

This item has no instructions

Wel of geen verzekering?
  • Hoe denkt de verzekerde / verzekeringsnemer over:
  • Risicoaversie: vermijden van risico
  • Risicospreiding: niet voor iedereen is het risico even groot
  • Solidariteit: mensen met weinig risico zijn bereid om te betalen voor mensen met een hoog risico
  • Afweging van kosten en risico 

Slide 25 - Slide

This item has no instructions

Eigen risico
Bij sommige verzekeringen moet je zelf een deel van de schade betalen. Dit noem je eigen risico.

Met een eigen risico betaal je minder premie dan bij een verzekering zonder eigen risico.

Slide 26 - Slide

This item has no instructions

Premie berekenen
Risico = kans op schade x de gemiddelde hoogte van de schade 

Premie = Risico + winst/kostenoplag


Slide 27 - Slide

This item has no instructions

voorbeeld premie berekenen
Aantal verzekeringsnemers: 150.000
kans op schade: 1 op 100
verwachte schade per gebeurtenis: €3000

Bereken de premie die moet worden gevraagd door de verzekeringsmaatschappij om 500.000 euro winst te draaien.
Oplossing
150.000 mensen verzekeren zich. De kans op schade is 1 op 100. Dus bij 1500 mensen zal er schade ontstaan. De schade is dan 3000 euro. De verzekeringsmaatschappij moet er dan rekening mee houden dat ze 1500 x 3000 = 4.500.000 euro moeten uitkeren. Ze willen ook 500.000 euro winst maken. Dus in totaal moeten ze 5 miljoen euro ophalen. 5.000.000 : 150.000 = 33,33 euro per verzekerde aan premie per jaar

Slide 28 - Slide

This item has no instructions

Asymmetrische informatie
  • De ene persoon heeft meer informatie dan de andere persoon.
  • Bij verzekeren: Je weet dat je 4 gaatjes heb in je kiezen en je sluit snel een tandartsverzekering af voordat je ze laat vullen bij de tandarts. Verzekeringsonderneming weet niet dat je de 4 gaatjes hebt en schat je risico op gemiddeld in terwijl ze dus uiteindelijk veel kosten aan je hebben. 

Slide 29 - Slide

This item has no instructions

Averechste selectie
  • De goede risico's vinden de premie te hoog worden en stoppen met de verzekering.
  • Wat is het gevolg voor de premie?
  • De premie gaat nog verder omhoog, want minder mensen die alleen premie betalen en geen schade claimen. 
  • Wat is het gevolg?
  • Steeds meer mensen vinden de premie niet meer opwegen te het risico en gaan ook weg. 

Slide 30 - Slide

This item has no instructions

Averechtse selectie

Slide 31 - Slide

This item has no instructions

Moral hazard
In het Nederlands: moreel wangedrag

Wanneer mensen zich roekelozer gaan gedragen omdat ze toch wel verzekerd zijn en niet zelf hoeven op te draaien voor de schade. 

Slide 32 - Slide

This item has no instructions

Moral hazard

Slide 33 - Slide

This item has no instructions

Averechtse selectie/Moreel wangedrag bestrijden
Optie 1: 
  • Premiedifferentiatie toepassen. 
  • Verschillende groepen krijgen verschillende premies. 
  • Bepalen door bijvoorbeeld: vragenlijsten, woonplaats, leeftijd, aantal schades in het verleden. 
  • Doel: slechte risico's betalen een hogere premie en goede risico's betalen een lagere premie. 

Slide 34 - Slide

This item has no instructions

Averechtse selectie/Moreel wangedrag bestrijden
Optie 2: 
  • Vrijwillig eigen risico toepassen
  • Eigen risico: Dan moet je het eerste deel van een schade zelf betalen
  • Goede risico's zullen een hoog eigen risico instellen in ruil voor lagere premie. 

Slide 35 - Slide

This item has no instructions

Averechtse selectie bestrijden
Optie 3: 
  • De overheid stelt de verzekering verplicht.
  • Welke 2 particuliere verzekeringen zijn verplicht?
  1. Zorgverzekering
  2. WA verzekering motorvoertuigen

Slide 36 - Slide

This item has no instructions

Particuliere verzekeringen

Slide 37 - Slide

This item has no instructions

Collectieve verzekeringen

Slide 38 - Slide

This item has no instructions

Oefenen
Het volgende overzicht toont de ontwikkeling van het BBP (bruto binnenlands product) van Nederland voor de jaren 1995 t/m 1998 in miljarden guldens.
(Het BBP is de optelsom van de waarde van alle goederen en diensten die in Nederland worden geproduceerd.) (1996 = basisjaar)




a) Bereken het ontbrekende indexcijfer bij 1995. Rond af op een heel getal.
b) Bereken het ontbrekende indexcijfer bij 1997. Rond af op een heel getal.
c) Bereken het ontbrekende indexcijfer bij 1998. Rond af op een heel getal.





Jaar
1995
1996
1997
1998
BBP
302
315
330
352
Indexcijfer

Slide 39 - Slide

This item has no instructions

Oefenen
d) Met hoeveel procent is het BBP gestegen in 1998 t.o.v. 1996? Rond af op 1 decimaal.

e) Met hoeveel procent is het BBP gestegen in 1998 t.o.v. 1997? Rond af op 1 decimaal.

Slide 40 - Slide

This item has no instructions

Antwoorden
Uitwerking a) €302 : €315 x 100 = 96

*Uitwerking b) €330 : €315 x 100 = 105
*Uitwerking c) €352 : €315 x 100 = 112
*Uitwerking d) Je vergelijkt hier met het basisjaar. In dit geval mag je dus de procentuele verandering aflezen. (112-100=) dus 12,0% verandering.
Je mag dit ook berekenen met de formule voor procentuele veranderingen. (Nieuw-Oud):Oudx100 >>> (112-100):100x100 = 12,0%
*Uitwerking e) Je vergelijkt hier niet met het basisjaar. Je mag hier de verandering niet zomaar aflezen, maar je moet rekenen met de formule voor procentuele veranderingen. (112-105):105x100=6,7%



Slide 41 - Slide

This item has no instructions

Samen oefenen
uit een krant, 2018:
De ‘Pay How You Drive’-autoverzekering (PHYD) is in opkomst: wie rustig remt en niet te hard optrekt, betaalt minder premie. Steeds meer verzekeraars lanceren deze autoverzekering. Het principe is simpel. Een app op de mobiele telefoon registreert het rijgedrag van de automobilist. Als de telefoon vastzit in een standaard zijn de meetgegevens betrouwbaar en kunnen ze worden uitgelezen door de verzekeraar. De automobilist die zeer netjes rijdt, krijgt het predicaat ‘groen’ en dat betekent een korting van 35% op de basispremie. De categorie-indeling wordt elke maand opnieuw vastgesteld. Op dit moment rijdt 10% van de PHYD-verzekerden in de categorie ‘rood’. Deze categorie ‘coureurs’ betaalt de volledige basispremie.

Slide 42 - Slide

This item has no instructions

Samen oefenen
Mevrouw Bakker heeft op 1 januari 2018 een PHYD-autoverzekering afgesloten. Ze is toen ingedeeld in de categorie rood en betaalde de volledige basispremie. Op basis van haar rijgedrag in januari is ze per 1 februari door de verzekeraar ingedeeld in de categorie oranje (zie bron 4). Begin maart ontvangt ze een bericht van de verzekeraar over haar rijgedrag in februari (zie bron 5).  Wat is haar basispremie?

Oplossing
In oranje had ze 10% korting en in groen 35% korting. Ze krijgt dus 25% extra korting. Deze 25% staat gelijk aan 30,66 euro. Dus dan is 100% (basispremie) 122,64 euro

Slide 43 - Slide

This item has no instructions

Verder oefenen met indexcijfers
http://www.economiematerialen.nl/index.php/rekenen/2-uncategorised/62-rekenen-met-indexcijfers

Slide 44 - Slide

This item has no instructions

Opgave maken
Boter van buiten
Krimpflatie
Overheidsfinancien
Uitgestelde vluchten
Studeren loont

Slide 45 - Slide

This item has no instructions