stof herhalen

10.1 t/m 10.3 herhalen + oefenen
Door klimaatverandering word de grond meer bruin in plaats van grijs. Leg uit hoe er naar verloop van tijd steeds meer bruine ratten zijn in de populatie.
1 / 25
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

10.1 t/m 10.3 herhalen + oefenen
Door klimaatverandering word de grond meer bruin in plaats van grijs. Leg uit hoe er naar verloop van tijd steeds meer bruine ratten zijn in de populatie.

Slide 1 - Slide

Fossielen
Fossielen komen veel voor. 
Met name van bepaalde soorten.

Alleen harde delen blijven bewaard. 

Sommige fossielen worden gidsfossielen genoemd. Met een gidsfossiel kun je een gesteentelaag dateren.


Slide 2 - Slide

verschillende vormen van mutaties

Slide 3 - Slide

Aanpassen
Populaties veranderen omdat ze zich aanpassen aan de omgeving:
survival of the fittest. oftewel natuurlijke selectie

Hiervoor is dus variatie nodig en selectiedruk.

1 individu kan niet evolueren
1 soort wel

Slide 4 - Slide

Verandering?
Als een populatie verandert (evolueert) kan er sprake zijn van evolutie: aanpassing/adaptatie.

Als populatie geissoleerd is kan nieuwe soort ontstaan.
(bijv. darwinvinken)

Een eigenschap levert voordeel op voor overleving of voortplanting.

Slide 5 - Slide

Verandering?
Bijzondere vorm van natuurlijke selectie is seksuele selectie.

Interseksuele selectie: vrouwtjes selecteren mannetje op aantrekkelijke eigenschappen.

Intraseksuele selectie: mannetjes vechten onderling. De sterkste meeste kans op voorplanting.

Dit verklaart verschillend uiterlijk man - vrouw.




Slide 6 - Slide

Verandering?
Als een populatie verandert (evolueert) kan er ook sprake zijn van toeval. 

Dit gebeurt bij genetic drift.


Heeft niet te maken met selectie of fitness van deze populatie. Geen evolutie, maar toeval.

Slide 7 - Slide

Verandering?
Als een populatie verandert (evolueert) kan er sprake zijn van evolutie: aanpassing/adaptatie.

Het kan ook menselijke bemoeienis zijn:
kunstmatige selectie.

Heeft niet te maken met selectie of fitness van deze populatie. Geen evolutie.

Slide 8 - Slide

Soortsvorming: Hoe ontstaan soorten?
Als twee populaties van dezelfde soort van elkaar gescheiden raken en daardoor niet meer onderling voortplanten (reproductieve isolatie)

dan kunnen deze populaties genetisch zo van elkaar gaan verschillen (door mutaties én selectiedruk) dat ze samen geen vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen

-> Er zijn twee nieuwe soorten ontstaan.

Slide 9 - Slide

Eilandtheorie
Grootte van het eiland beïnvloedt de snelheid van uitsterven.
Klein eiland: weinig ruimte -> veel concurrentie -> soorten sterven sneller uit.
Groot eiland: veel ruimte -> minder concurrentie -> soorten sterven minder snel uit.

Groene lijnen in de grafiek.

Slide 10 - Slide

Eilandtheorie
Afstand van het eiland tot het vaste land (bron van migratie)
Dichtbij: veel migratie 
Ver weg: weinig migratie 
Meer bij groot eiland dan bij klein eiland door meer beschikbare ruimte.

Rode lijnen in de grafiek.

Slide 11 - Slide

Darwin gebruikte bij het opstellen van zijn evolutietheorie het begrip 'survival of the fittest'. Deze uitdrukking wordt meestal vertaald met 'het overleven van de sterksten'.
Welke van de onderstaande individuen worden in deze uitdrukking bedoeld met 'de sterksten'?
A
De individuen die de meeste kracht kunnen leveren.
B
De individuen die het langste leven.
C
De individuen die de meeste nakomelingen krijgen.
D
De individuen van de soorten die boven in de voedselpiramide staan.

Slide 12 - Quiz

Zet in de juiste volgorde:
I - Dankzij zijn kleur valt een zwarte koolmees niet op bij katten. Hij leeft lang en krijgt veel nakomelingen
II - Het aantal allelen voor de zwarte kleur neemt toe in de populatie
III - Door natuurlijke selectie zijn er veel zwarte koolmezen ontstaan
IV - Door een mutatie ontstaat een zwarte koolmees in een populatie
A
II - IV - II - III
B
I - II - IV - III
C
IV - I - II - III
D
IV - II - III - I

Slide 13 - Quiz

Met hulp van gidsfossielen kunnen wetenschappers aardlagen dateren. Welke fossielen zijn het best te gebruiken als gidsfossielen?
A
Van een soort die voor korte tijd in een bepaald gebied voorkomt.
B
Van een soort die voor korte tijd wijdverspreid voorkomt.
C
Van een soort die gedurende lange tijd in een bepaald gebied voorkomt.
D
Van een soort die gedurende lange tijd wijdverspreid voorkomt.

Slide 14 - Quiz

Er zijn verschillende mutaties. Welk type mutatie zie je hiernaast?
A
Genoommutatie
B
chromosoommutatie
C
puntmutatie

Slide 15 - Quiz

Wat is een logische naam voor deze puntmutatie?
A
vervangen
B
invoegen
C
verwijderen

Slide 16 - Quiz

Wat is de beste uitleg betreft biodiversiteit? H7
A
is een maat voor het aantal verschillende soorten organismen dat in een gebied voorkomt. Hoe meer verschillende planten en dieren er zijn, hoe hoger de biodiversiteit.
B
Zijn alle leefgebieden in een ecosysteem samen.
C
Gaat over hoe dieren zich voortplanten en hoe zich ontwikkelen tot nieuwe soorten. Hoe meer nieuwe soorten, hoe hoger de biodiversiteit.
D
Hoe dieren zich aanpassen aan de omgeving, hoe beter ze zich aanpassen, hoe beter de biodiversiteit van dat dier.

Slide 17 - Quiz

De grootste biodiversiteit is te vinden op een: ...
A
klein eiland dichtbij
B
groot eiland dichtbij
C
klein eiland ver weg
D
groot eland ver weg

Slide 18 - Quiz

De evolutietheorie gaat ervan uit dat:
1. Door mutatie steeds nieuwe ......................... ontstaan waardoor er steeds meer ................... is binnen een soort. 
2. Als een organisme zich kan groeien in zijn omgeving heeft hij een grotere ............................. Dit verschijnsel noemen we .........................
3. Door ......................... kunnen individuen van dezelfde soort steeds meer verschillen van elkaar, omdat ze in een andere omgeving leven. Hierdoor kunnen er uiteindelijk nieuwe ......................... ontstaan. Deze verschillende soorten kunnen zich uiteindelijk onderling niet meer samen .......................... .

soorten
overlevingskans
natuurlijke selectie door een grotere fitness
isolatie
allelen (genotypen)
voortplanten
variatie

Slide 19 - Drag question


In de afbeelding zie je de ingraafdiepte van 3 prooien van de kanoet (vogel). Onderzoekers verwachten dat de snavel van deze soort in de komende decennia langer zal worden. Leg dit uit aan de hand van de evolutietheorie.

Slide 20 - Open question

Leg uit hoe (door klimaatverandering) de witte sneeuwhaas
rond het gebied van de poolcirkel evolueert naar een bruine
sneeuwhaas.
Gebruik de begrippen genetische variatie en
(natuurlijke) selectie.

Slide 21 - Open question

Een deel van de sneeuwhazen blijft heel noordelijk leven,
terwijl de sneeuwhazen onder de poolcirkel zich aanpassen
aan de nieuwe klimaatomstandigheden. Beschrijf hoe deze
sneeuwhazen na heel lange tijd twee verschillende soorten hazen kunnen worden. Gebruik de term: reproductieve isolatie.

Slide 22 - Open question

Teunisbloemen zijn in staat tot zelfbestuiving. Door meer bestuivers te
lokken, wordt de kans op kruisbestuiving (met stuifmeel van een andere
teunisbloem-plant) groter.
Leg uit dat voortplanting door kruisbestuiving voor de teunisbloem
evolutionair voordeliger is dan voortplanting door zelfbestuiving.

Slide 23 - Open question

Bij lage temperaturen blijkt mammoet-hemoglobine makkelijker zuurstofmoleculen af te geven in vergelijking met hemoglobine van andere olifantensoorten. Dat is voordelig in delen van het lichaam die sterk afkoelen, zoals de poten. Beredeneer hoe evolutie heeft geleid tot afwijkende hemoglobine bij mammoeten.

Slide 24 - Open question

Stel dat het Church lukt om mammoetachtige olifanten te verkrijgen, dan
zijn enkele mannetjes en enkele vrouwtjes nog niet voldoende. Er zijn
meerdere mannetjes en vrouwtjes nodig om een gezonde populatie op te bouwen. Leg uit dat er meerdere mannetjes en vrouwtjes nodig zijn om de overlevingskansen van een populatie te vergroten.

Slide 25 - Open question