handige woorden

handige woorden
1 / 6
next
Slide 1: Slide
DuitsBeroepsopleiding

This lesson contains 6 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 16 min

Items in this lesson

handige woorden

Slide 1 - Slide

handige woorden
met= mit
op= auf
van= von
over= über
of= oder
tot= bis
dan= dann
als= wenn
bij= bei
voor= für (als ik iets geef aan iemand)
voor= vor (voor plaats of tijd) 
hier= hier
elke= jede
er is/ er zijn= es gibt
niet = nicht
geen = kein
uw= Ihr
morgen= morgen
vandaag= heute
kunnen= können
u kunt= Sie können
ik kan = ich kann
willen=wollen/möchten
wilt u? = Möchten Sie?
mogen= dürfen
mag ik ?= darf ich
u mag= Sie dürfen
U heeft= Sie haben
hij /zij heeft= hat



soms =manchmal
altijd= immer
nooit= nie
als (vergelijking)= wie
als (Engelse if)= wenn

Slide 2 - Slide

of
A
oder
B
auf
C
or

Slide 3 - Quiz

tot
A
tot
B
bis
C
till
D
mit

Slide 4 - Quiz

elke
A
elche
B
each
C
jetzt
D
jede

Slide 5 - Quiz

je hebt 2 woorden voor het Nederlandse woordje voor
A
waar
B
niet waar

Slide 6 - Quiz