Zinsontleding

Zinsontleding
1 / 18
next
Slide 1: Slide
NederlandsMBOStudiejaar 2

This lesson contains 18 slides, with text slides.

Items in this lesson

Zinsontleding

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

AA1A en AA1B

TOETS Spelling en Grammatica: vrijdag 21 maart 2025

HERKANSING in de Bufferweek

Slide 3 - Slide

Zinsontleding


Redekundig  Taalkundig

Slide 4 - Slide

Anna schrijft 

Slide 5 - Slide

Anna | schrijft 
onderwerp      persoonsvorm en werkwoordelijk gezegde   

Slide 6 - Slide

Anna schrijft een brief

Slide 7 - Slide

Anna | schrijft | een brief
onderwerp   persoonsvorm  lijdend voorwerp

Slide 8 - Slide

Anna schrijft een brief aan de koning

Slide 9 - Slide

Anna | schrijft | een brief | aan de koning
onderwerp   persoonsvorm  lijdend voorwerp   meewerkend voorwerp

Slide 10 - Slide

Anna heeft een brief aan de koning geschreven

Slide 11 - Slide

Anna | heeft | een brief | aan de koning | geschreven
onderwerp   persoonsvorm  lijdend voorwerp   meewerkend voorwerp          
werkwoordelijk gezegde: 'heeft geschreven'

Slide 12 - Slide

ontleed de zinnen op je werkblad redekundig
werkwoordelijk gezegde (ww-gez)
alle werkwoorden in de zin samen


persoonsvorm (pv)
het werkwoord dat vooraan staat als je de zin vragend maakt
(ik lees een boek > lees ik een boek?)


onderwerp (ow)
wie/wat + werkwoordelijk gezegde
lijdend voorwerp (lv)
wie/wat + werkwoordelijk gezegde + onderwerp




meewerkend voorwerp (mv)
aan/voor wie/wat + werkwoordelijk gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp

Slide 13 - Slide

Anna heeft een brief aan de koning geschreven

Slide 14 - Slide

Anna heeft een brief aan de koning geschreven
zelfstandig 
naamwoord
werkwoord
lidwoord
zelfstandig naamwoord
voorzetsel
lidwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord

Slide 15 - Slide

Hij heeft haar mooie brief gelezen

Slide 16 - Slide

Hij heeft haar mooie brief gelezen
werkwoord
persoonlijk voornaamwoord 
bezittelijk voornaamwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
bijvoeglijk
naamwoord

Slide 17 - Slide

ontleed de zinnen op je werkblad taalkundig
lidwoord (lw)

voorzetsel (vz)

werkwoord (ww)

zelfstandig naamwoord (znw)
bijvoeglijk naamwoord (bnw)

persoonlijk voornaamwoord (pvw)

bezittelijk voornaamwoord (bvw)

Slide 18 - Slide