This lesson contains 20 slides, with text slides and 1 video.
Lesson duration is: 135 min
Items in this lesson
Willkommen!
Slide 1 - Slide
Lernziele für diese Woche
Je kunt de hoofdpunten begrijpen van televisieprogramma's over vertrouwde onderwerpen.
Je kunt specifieke informatie begrijpen in video's en luisterfragmenten.
Je kunt het geslacht van zelfstandige naamwoorden bepalen.
Je kent de keuzevoorzetsel en je kunt ze met de juiste naamval toepassen.
Je kent de trappen van vergelijking.
Slide 2 - Slide
Wiederholung
K4 L4
S. 32
Aufgabe 9
Slide 3 - Slide
Keuzevoorzetsel II: tijd
Als je met een keuzevoorzetsels een tijd aan wilt geven, dan kun je vragen WANN?. Je gebruikt dan de derde naamval. Bij de voorzetels auf + über krijg je een 4e naamval.
over een week -> in einer Woche
voor 3 april -> vor dem dritten April
Slide 4 - Slide
Und jetzt....
üben, üben, üben !!!
K4 L2
S. 22/23 Aufg. 10, 11
Slide 5 - Slide
Hören/ Sehen
K4 L4
S. 35
Aufgabe 5
Slide 6 - Slide
Film gucken
Film
Slide 7 - Slide
Hören
K4 L5
S. 41
Aufgabe 3
Slide 8 - Slide
Slide 9 - Video
Hören
K4 L5
S. 42
Aufgabe 4
Slide 10 - Slide
Hören
K4 L5
S. 43
Aufgabe 6
Slide 11 - Slide
Trappen van vergelijking
Slide 12 - Slide
Er zijn 3 trappen
1. de stellende trap klein
2. de vergrotende trap kleiner
3. de overtreffende trap am kleinsten
Slide 13 - Slide
de vergrotende trap
In het Duits maak je de vergrotende trap door -er achter het woord (stellende trap) te zetten:
kleiner
Slide 14 - Slide
de overtreffende trap
In het Duits maak je de overtreffende trap door voor het woord (stellende trap) am te zetten en -stenachter het woord:
am kleinsten
Slide 15 - Slide
Let op !:
Woorden die eindigen op -d, -t of -s klank (-s,-ss,-ß, z, sch) krijgen in de overtreffende trap: esten!:
stellende trap: spät
vergrotende trap: später
overtreffende trap: am spätesten
Slide 16 - Slide
Und jetzt....
üben, üben, üben !!!
K4 L4
S. 37/ 38 Aufg. 8,9
Slide 17 - Slide
LOGO TV
Was/ Worum?
Wo?
Wer?
Wie?
Wann?
Kies 2 onderwerpen .
Schrijf tenminste 5 zinnen per onderwerp op, waarover gaat het?
Gebruik de vraagwoorden om de inhoud te omschrijven.