This lesson contains 34 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.
Lesson duration is: 45 min
Items in this lesson
Slide 1 - Slide
Slide 2 - Video
Het werkwoord être
Je ... Tu ... Il, elle ... On ... Nous ... Vous ... Ils, elles ...
timer
2:00
Slide 3 - Slide
Log in op lesson up
Geen rare naam gebruiken natuurlijk
Geen gei(n)tjes!
Slide 4 - Slide
Het bezittelijk voornaamwoord (NL)
Mijn
Jouw
Zijn/haar
Onze
Jullie
Hun
Slide 5 - Slide
Het bezittelijk voornaamwoord
Le pronom possessif Grammaire H Page 126
Notre village
Slide 6 - Slide
Le pronom possessif
Slide 7 - Slide
Het bezittelijk voornaamwoord (Frans)
Mijn = mon, ma, mes
Jouw = ton, ta, tes
Zijn/haar = son, sa, ses
Onze = notre, notre, nos
Jullie = votre, votre, vos
Hun = leur, leur, leurs
Uitspraak
We gaan het rijtje eerst rustig uitspreken, maar daarna steeds sneller.
Slide 8 - Slide
Het bezittelijk voornaamwoord (Frans)
Het maakt niet uit of een ding van een man, vrouw, jongen of meisje is!
Bijv: Michel répare sa voiture (v). Michel repareert zijn auto. Niet: son voiture.
Let op:
Slide 9 - Slide
Het bezittelijk voornaamwoord in het Nederlands
Slide 10 - Mind map
Slide 11 - Video
Het bezittelijk voornaamwoord in het Frans
Slide 12 - Mind map
00:25
Wat krijg je nu te zien denk je?
A
Wat het verschil is tussen mon, ma en mes
B
Wat een bezittelijk voornaamwoord betekent
Slide 13 - Quiz
00:47
Welk verschil is hier uitgelegd?
Slide 14 - Open question
01:20
Maakt het uit of de persoon waarvan iets is een meisje of jongen is?
A
Nee, het object bepaalt!
B
Ja, eigenlijk wel.
Slide 15 - Quiz
02:54
Als een woord begint met een klinker..
A
Gebruik je welke vorm je zelf wilt
B
Gebruik je altijd de mannelijke vorm
Slide 16 - Quiz
Wat is het vrouwelijke bz vnw?
A
mon
B
ta
C
son
Slide 17 - Quiz
Wat is het meervouds - bz vnw?
A
mon
B
ta
C
son
D
leurs
Slide 18 - Quiz
Wat is hier het bz vnw: Quelle est ta matière préférée?
A
Quelle est
B
ta
C
matière
D
préférée
Slide 19 - Quiz
Ma matière préférée c'est l'anglais.
Wat betekent 'ma' ?
A
zijn
B
mijn
C
jouw
D
hem/haar
Slide 20 - Quiz
Mon prof préféré c'est Monsieur Conradie
Wat betekent 'mon' ?
A
hun
B
hem/haar
C
jouw
D
mijn
Slide 21 - Quiz
Mijn school (m)
A
ma collège
B
mes collège
C
mon collège
D
tes collège
Slide 22 - Quiz
zijn kamer (v)
A
ses chambre
B
son chambre
C
ton chambre
D
sa chambre
Slide 23 - Quiz
Jouw spullen (mv)
A
ton affaires
B
tes affaires
C
ta affaires
D
mes affaires
Slide 24 - Quiz
À faire Ch. 3
Laptop en boek op tafel
Bij vragen vinger omhoog
Bron D en H (blz. 112, 126) allebei 80%
Kun je niet slim stampen, maak dan opdrachten in je boek
Page 126 | Exercice: 30, 31, 32 | 20 minutes
timer
5:00
Slide 25 - Slide
Au revoir!
Slide 26 - Slide
Slide 27 - Slide
Het bezittelijk voornaamwoord (NL)
Mijn
Jouw
Zijn/haar
Onze
Jullie
Hun
Maakt het uit of de persoon waarvaniets is een jongen of een meisje is?
Slide 28 - Slide
apps.noordhoff.nl
Slide 29 - Link
Het bezittelijk voornaamwoord (FR)
Mijn = mon, ma, mes
Jouw = ton, ta, tes
Zijn/haar = son, sa, ses
Onze = notre, notre, nos
Jullie = votre, votre, vos
Hun = leur, leur, leurs
Uitspraak
We gaan het rijtje eerst rustig uitspreken, maar daarna steeds sneller.
Slide 30 - Slide
Het bezittelijk voornaamwoord (FR)
Het maakt niet uit of een ding van een man, vrouw, jongen of meisje is!
Bijv: Michel répare sa voiture (v). Michel repareert zijn auto. Niet: son voiture.
Let op:
Slide 31 - Slide
Oefenen!
1. (mijn) _______ père (m) aime les fleurs. 2. Ils jouent dans (hun) _________ jardin (m). 3. Marc travaille à (zijn) _______ table (v). 4. Kathy lit (haar) ________ livre (m). 5. Ils lavent (onze) __________ voiture (v). 6. (hun) ________ cousins viennent aussi (mv). 7. Michel répare (zijn) ______ voiture (v). 8. (jullie) _________ chiens (mv) dorment bien. 9. Ce sont (haar) ________ grands-parents (mv) ! 10. C'est (jouw) ____________ prof (m) (v) ?
Je mag je boek erbij gebruiken als hulp
Page 46
Slide 32 - Slide
Les réponses:
1. (mijn) mon père aime les fleurs. 2. Ils jouent dans (hun) leur jardin. 3. Marc travaille à (zijn) sa table. 4. Kathy lit (haar) son livre. 5. Ils lavent (onze) notre voiture. 6. (hun) leurs cousins viennent aussi. 7. Michel répare (zijn) sa voiture. 8. (jullie) vos chiens dorment bien. 9. Ce sont (haar) ses grands-parents! 10. C'est (jouw) ton / ta prof?
Hoeveel had je goed?
Naast deze grammatica krijg je ook de passé composé