Toets Diabetes en urineweg stelsel

Toets Diabetes en urineweg stelsel
1 / 21
next
Slide 1: Slide
Verpleging en verzorgingMBOStudiejaar 2

This lesson contains 21 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 90 min

Items in this lesson

Toets Diabetes en urineweg stelsel

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Naast de glucosewaarde kan bij een patiënt met diabetes ook de HbA1c bepaald worden. Wat is de toegevoegde waarde hiervan?
A
Dit is een preciezere bepaling van de glucosewaarde
B
Dit is een waarde die aangeeft hoe hoog de glucosewaarden de afgelopen 3 maanden waren
C
Dit is een waarde die aangeeft hoe ernstig de diabetes is, dus hoe groot de ongevoeligheid voor insuline
D
Dit is een waarde die aangeeft of er sprake is van diabetes type 1 of type 2

Slide 2 - Quiz

Met behulp van de HbA1c kan worden bepaald hoe goed de glucose gereguleerd was in de afgelopen maanden. Dit kan dus goed gebruikt worden om de behandeling te evalueren. De andere genoemde onderscheiden kunnen hiermee NIET gemaakt worden
Onbehandelde diabetes leidt vaak tot bepaalde typische klachten. Welke hoort hier NIET bij?
A
Gewichtstoename
B
polyurie
C
polydipsie
D
glucose in de urine

Slide 3 - Quiz

Bij niet-gediagnosticeerde diabetes vallen patiënten juist vaak af (bij type 1, bij type 2 minder, maar is in ieder geval gewichtstoename NIET veelvoorkomend). De andere klachten zijn wel typisch voor diabetes: veel drinken, veel plassen, glucose in de urine en daarnaast vaak veel honger
Bij een patiënt met diabetes is altijd de angst voor een ‘hyper’ of ‘hypo’, welke hiervan ontstaan alleen na behandeling (en dus NIET bij niet-behandelde diabetes)?
A
Alleen hyperglykemie
B
Alleen hypoglykemie
C
Zowel hypo als hyperglykemie
D
Hypoglykemie en hyperglycemie komen ook voor bij onbehandelde diabetes, maar worden dan NIET herkend

Slide 4 - Quiz

Hypoglykemie komt NIET voor bij patiënten met diabetes zonder behandeling, omdat het suikergehalte zelfs bij gebrek aan eten NIET snel zo laag zal worden als bij een hypo. Het probleem is de behandeling met insuline, die bij verkeerd gebruik het glucosegehalte te veel kan laten dalen en daardoor een hypo veroorzaakt. Een hyper komt wel regelmatig voor bij onbehandelde diabetes.
In de alvleesklier bevinden zich hormoonproducerende cellen, de eilandjes van Langerhans. Welke hormonen worden hierin geproduceerd
A
Insuline en glucagon
B
Insuline en cortisol
C
Insuline, glucagon en aldosteron
D
Insuline, glucagon en somatostatine

Slide 5 - Quiz

This item has no instructions

Bij een ernstige hypoglykemie kan glucagon door middel van een injectie toegediend worden. Wat is het werkingsmechanisme hiervan?
A
Glucagon wordt in het lichaam snel afgebroken in glucose, waardoor de glucosespiegel stijgt
B
Glucagon zorgt in de lever voor afbraak van glycogeen, waardoor de glucosespiegel stijgt
C
Glucagon is een ander woord voor intraveneuze glucose, dus dit zorgt direct voor een stijging van de glucosespiegel
D
Glucagon zorgt ervoor dat opgeslagen glucose vrijkomt uit de alvleesklier

Slide 6 - Quiz

This item has no instructions

Een diabetische ketoacidose kan het eerste symptoom zijn van diabetes. Bij welk type komt dit als eerste symptoom meestal voor?
A
Het komt alleen voor diabetes type 1
B
Het komt alleen voor bij diabetes type 2
C
Het komt ongeveer evenveel voor bij diabetes type 1 als 2
D
Het komt bij beiden voor, maar vaker bij diabetes type 1

Slide 7 - Quiz

Een diabetische ketoacidose ontstaat als gevolg van een gebrek aan insuline, waarbij uiteindelijk cellen GEEN glucose kunnen krijgen en ketonen gaan vormen. Dit komt eigenlijk nooit voor als eerste symptoom van diabets type 2, omdat hier altijd nog wel wat insuline in het bloed aanwezig is en dus NIET massaal ketonen geproduceerd hoeven te worden
Wat is het controlecentrum in het feedbackmechanisme van de glucosespiegel?
A
Hypothalamus
B
Hypofyse
C
Hersenstam
D
Alvleesklier

Slide 8 - Quiz

De eilandjes van Langerhans in de alvleesklier (pancreas) detecteren de glucosespiegel in ons bloed, EN zijn ook de effector: Op een te hoge glucosespiegel zullen deze cellen insuline gaan afgeven.
Welke eigenschap van een patiënt kan erop wijzen dat er sprake zal zijn van een slechte wondgenezing?
A
Slechte doorbloeding
B
Ondervoeding
C
Diabetes Mellitus
D
Al deze factoren hebben een slechte invloed op de wondgenezing

Slide 9 - Quiz

Er zijn veel factoren van invloed op de wondgenezing. Duidelijk slecht is een verminderde doorbloeding, omdat bloed nodig is om de juiste cellen naar de wond te krijgen om deze te genezen. Bij diabetes mellitus zijn de vaten vaak aangedaan en zullen wonden dus langzamer genezen. Ook ondervoeding zorgt voor langzamere genezing
Diabetes kan leiden tot aantasting van bloedvaten en zenuwen, wat klachten kan geven zoals polyneuropathie en vaatziekten. Waardoor ontstaat deze schade?
A
Zowel door hoog als door een laag glucoseniveau in het bloed
B
Door een hoog glucoseniveau in het bloed
C
Door een laag glucoseniveau in het bloed
D
Dit is NIET duidelijk

Slide 10 - Quiz

Een hoog glucoseniveau in het bloed zorgt voor beschadiging van bloedvaten en zenuwen en dus voor de belangrijkste lange termijn verschijnselen. Dit zie je dus ook vaker bij patiënten die NIET of NIET voldoende behandeld worden en daardoor vaak een te hoog suikergehalte hebben
Bij diabetes is er vaak sprake van wondjes aan de voet die slecht genezen. Hoe komt dit?
A
Door diabetische neuropathie
B
Door diabetische macroangiopathie
C
Door diabetische microangiopathie
D
Door diabetische retinopathie

Slide 11 - Quiz

Het slecht helen van wondjes komt door slechte doorbloeding, vaak is dit vooral zichtbaar aan de voeten. De kleine bloedvaatjes raken beschadigd bij diabetes en dit is diabetische microangiopathie. Diabetische macroangiopathie is aantasting van de grote vaten zoals de aorta en de kransslagaderen. Diabetische retinopathie is een oogafwijking en diabetische neuropathie een zenuwafwijking. Die leiden NIET direct tot slecht helende wonden.
        nieren en urine weg stelsel

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

Wat is een belangrijke functie van de nieren in het menselijk lichaam?
A
Bloedcelaanmaak
B
Spijsvertering
C
Urine productie
D
Zuurstoftransport

Slide 13 - Quiz

This item has no instructions

Welk onderdeel van het urinewegstelsel transporteert urine van de nieren naar de blaas?
A
Urethra
B
Ureters
C
Nefron
D
Blaas

Slide 14 - Quiz

This item has no instructions

Wat zijn nefronen
A
De functionele eenheden van de nieren
B
Een type witte bloedcel
C
De opening van de urethra
D
Het kapsel van Bowman

Slide 15 - Quiz

This item has no instructions

Wat gebeurt er met het meeste water uit de voorurine?
A
Het wordt uitgescheiden als urine
B
Het wordt opnieuw opgenomen in het bloed
C
Het wordt opgeslagen in de blaas voor later gebruik
D
Het wordt afgebroken door enzymen

Slide 16 - Quiz

Het grootste deel van het water dat in de nefronen wordt gefilterd, wordt terug opgenomen in het bloed, wat helpt bij het handhaven van de waterbalans in het lichaam. Gelukkig maar: Want je nieren maken per dag ongeveer 150-200 liter voorurine
Wat is de functie van erythropoetine?
A
Het verlagen van de bloeddruk
B
Het verhogen van de bloeddruk
C
Productie van rode bloedcellen
D
Afbraak van rode bloedcellen

Slide 17 - Quiz

This item has no instructions

Stel het is een zomerse dag van 30 °C en je bent aan het fietsen. Wat verandert er in de waterhuishouding van jouw nier ?
A
De nierfunctie wordt niet beïnvloedt
B
De nier gaat meer urine produceren om jouw lichaam af te koelen
C
De nier gaat minder erythropoetine produceren
D
De nier gaat minder urine produceren om vocht vast te houden

Slide 18 - Quiz

Als je bij 30 °C fietst, ga je zeker veel zweten, dus je raakt water kwijt. Een functie van de nier is de balans in de waterhuishoud. Daarom zal de nier minder urine produceren, zodat jouw lichaam niet te veel vocht kwijt raak
Sanne is heel erg ziek van een diabetische ketoacidose. Hoe zal Sannes nier proberen de lage pH te compenseren? 1. Meer zuren (zoals H+) uitscheiden 2. Meer basen (zoals bicarbonaat) uitscheiden 3. Minder zuren (zoals H+) uitscheiden 4. Minder basen (zoals bicarbonaat) uitscheiden
A
De nier heeft hier geen invloed op
B
Alleen 1
C
2 + 3
D
1 + 4

Slide 19 - Quiz

De nier reguleert de zuur en basen huishouding. Een lage pH van het bloed betekent dat je meer zuren en minder basen wil uitscheiden
Creatinine is een afbraakproduct van spiercellen. Het wordt met vrij constante snelheid gevormd. In de nier wordt het enkel gefiltreerd, en NIET geresorbeerd of actief uitgescheiden. Wat betekent dit?
A
Creatinine zal NIET in de urine voorkomen
B
Creatinine zal NIET in de voorurine voorkomen
C
Creatinine kan gebruikt worden om de GFR te schatten
D
Creatinine kan NIET door de vaatwand van de glomerulus heen

Slide 20 - Quiz

Glomerulus: netwerk van bloedvaatjes.

Creatinine wordt enkel gefiltreerd: derhalve moet het door de vaatwand van de glomerulus heen kunnen, en zal het dus in de voorurine zitten. Het wordt NIET geresorbeerd, dus zal ook in de urine aanwezig zijn. Omdat de aanmaak vrij constant is en de uitscheiding eigenlijk maar door 1 component (de filtratie) wordt bepaald, kan creatinine dienst doen als maat voor de glomerulaire filtratie (GFR). Dit principe wordt in de kliniek veel toegepast.
Wat is de belangrijkste toegevoegde waarde van het monitoren van de urineproductie (in mL/uur) bij kritisch zieke patiënten?
A
Het geeft informatie over de doorbloeding van organen
B
Het geeft informatie over de uitscheiding van afvalstoffen
C
Het geeft informatie over de zuurstofvoorziening in het lichaam
D
Het geeft informatie over de thermoregulatie

Slide 21 - Quiz

Omdat de doorbloeding van de nieren binnen een breed bereik constant kan worden gehouden (80-200mmHg), betekent een verminderde doorbloeding van de nieren dat de doorbloeding van organen ernstig gestoord is (want de systolische druk is dan 80 mmHg). Als de urineproductie dus ineens afneemt, is dit een signaal dat de situatie van de patiënt verslechtert. De thermoregulatie en zuurstofvoorziening zijn NIET (direct) te relateren aan de urineproductie. De uitscheiding van afvalstoffen kan NIET aan de hoeveelheid urine worden afgelezen