This lesson contains 19 slides, with text slides and 2 videos.
met wie:
waarmee (waarvoor, waartegen, ...):
verwijzen naar personen
de klasgenoot met wie ik afgesproken had, is helaas ziek
verwijzen naar dieren of dingen
dat is het paard waarvoor ik bang ben
de bus waarmee we naar Berlijn reisden, was comfortabel
dat is de deur waartegen ik gebotst ben