What is LessonUp
Search
Channels
Log in
Register
‹
Return to search
4 Verkleinwoorden
spelling
Blz. 251
1 / 25
next
Slide 1:
Slide
Nederlands
Middelbare school
havo, vwo
Leerjaar 1
This lesson contains
25 slides
, with
interactive quizzes
,
text slides
and
1 video
.
Lesson duration is:
45 min
Start lesson
Save
Share
Print lesson
Items in this lesson
spelling
Blz. 251
Slide 1 - Slide
verkleinwoorden van zelfstandig naamwoorden (zn)
Slide 2 - Slide
Slide 3 - Video
verkleinen zn
bank bankje
film filmpje
prei preitje
slang slangetje
woning woninkje
Slide 4 - Slide
WOORDEN OP _NG
woning> woninkje
paling> palinkje
maar voor andere woorden geldt:
kring> kringetje
Slide 5 - Slide
uitzonderingen
Soms moet je vanwege een mogelijke verkeerde uitspraak de schrijfwijze van woorden aanpassen.
eindigt woord op eenklinker> verdubbeleln van de klinkers
auto autootje
kar karretje
café cafeetje
pizza pizzaatje
Slide 6 - Slide
woorden op -y
Bij verkleinwoorden van woorden die eindigen op –y ( met een medeklinker ervoor ) schrijf je apostrof.
Bijvoorbeeld:
baby ba
b
y’tje
hobby ho
bb
y’tje
cowboy cowb
o
ytje
Slide 7 - Slide
woorden op -y
Bij verkleinwoorden van woorden die eindigen op –y ( met een medeklinker ervoor ) schrijf je apostrof.
MAAR
als er
een klinker voor de -y
staat dan komt er geen apostrof '
dus
smiley > smileytje
Slide 8 - Slide
i = ie
Eindigt het woord op een op een ii dan wordt het een -ie.
kiwi kiwietje
Slide 9 - Slide
Extra: afkortingen en cijfers
dvd dvd'tje
A4 A4'tje
Slide 10 - Slide
Extra: afwijkende verkleinvormen
jongen jongetje
blad blaadje
bril brilletje
Slide 11 - Slide
Het lidwoord bij verkleinwoorden
Bij het enkelvoud gebruik je bij verkleinwoorden nooit het lidwoord 'de', maar het lidwoord '
het
'.
de dans het dansje
de boom het boompje
de opa het opaatje
het paard het paardje
Slide 12 - Slide
Een verkleinwoord is altijd een
A
bijvoeglijk naamwoord
B
zelfstandig naamwoord
C
werkwoord
D
lidwoord
Slide 13 - Quiz
Verkleinwoorden
A
tostietje
B
tosti'tje
C
tostie'tje
D
tostitje
Slide 14 - Quiz
Verkleinwoorden
A
colaatje
B
cola'tje
C
cola-tje
Slide 15 - Quiz
Verkleinwoorden
A
laatje
B
ladetje
C
laadje
D
ladje
Slide 16 - Quiz
Verkleinwoorden
A
woningkje
B
woninkje
Slide 17 - Quiz
Verkleinwoord.
Wat is het verkleinwoord van de kano?
A
kano'tje
B
kanotje
C
kanoo'tje
D
kanootje
Slide 18 - Quiz
Wat is de verkleinvorm van "moment"?
Slide 19 - Open question
Wat is de verkleinvorm van "etalage"?
Slide 20 - Open question
Wat is de verkleinvorm van "radio"?
Slide 21 - Open question
Wat is de verkleinvorm van "verdieping"?
Slide 22 - Open question
Wat is de verkleinvorm van "cd"?
Slide 23 - Open question
Wat is de verkleinvorm van "pony"?
Slide 24 - Open question
Aan het werk
Opdracht 1: alleen vraag 1 schrift
Opdracht 2: schrift
Klaar? Lezen
Slide 25 - Slide
More lessons like this
verkleinwoorden
November 2024
- Lesson with
26 slides
Nederlands
Middelbare school
havo, vwo
Leerjaar 1
verkleinwoorden
March 2024
- Lesson with
33 slides
Nederlands
Middelbare school
havo, vwo
Leerjaar 1
verkleinwoorden
January 2025
- Lesson with
24 slides
Nederlands
Middelbare school
havo, vwo
Leerjaar 1
spelling verkleinwoorden
November 2022
- Lesson with
21 slides
Nederlands
Middelbare school
havo, vwo
Leerjaar 1
spelling verkleinwoorden
May 2023
- Lesson with
17 slides
Nederlands
Middelbare school
havo, vwo
Leerjaar 1
spelling verkleinwoorden
November 2022
- Lesson with
31 slides
Nederlands
Middelbare school
havo, vwo
Leerjaar 1
§4 Verkleinwoorden
November 2024
- Lesson with
23 slides
Nederlands
Middelbare school
havo, vwo
Leerjaar 1
§4 Verkleinwoorden
January 2025
- Lesson with
25 slides
Nederlands
Middelbare school
havo, vwo
Leerjaar 1