Verder heb je geleerd pp. 30, 31 kopie boek):1. de werkwoorden avoir, être, aimer,, habiter
2. 'niet' en 'geen' = ne ... pas
3. moi, toi, lui, elle = ik, jij, hij, zij met nadruk
4. in/naar een land of stad:
en France (vrouwelijk), au Portugal (mannelijk), aux Pays-Bas (meervoud)
5. ik ben frans, duits, engels etc. (français(e), allemand(e), anglais(e).
6. le, la,l', les = de of het