TaalCompleet B1 les 1.1

TaalCompleet B1 les 1.1 - Je leven
Je werkt aan: 
  • lezen om informatie op te doen - kan significante punten herkennen in eenvoudige artikelen over bekende onderwerpen.
  • kan over jezelf vertellen.
1 / 37
next
Slide 1: Slide
NT2ISK

This lesson contains 37 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 120 min

Items in this lesson

TaalCompleet B1 les 1.1 - Je leven
Je werkt aan: 
  • lezen om informatie op te doen - kan significante punten herkennen in eenvoudige artikelen over bekende onderwerpen.
  • kan over jezelf vertellen.

Slide 1 - Slide

Wat is niet waar?
Vertel 3 dingen over jezelf, je werk of opleiding of je familie. 

Eén ding is niet waar. Maar welk?


timer
3:00

Slide 2 - Slide

Opdracht 2. werkblad. 1.1a **

1. Maak 4 groepjes
2. Elk groepje leest één verhaal over een persoon
3. Je mag elkaar om uitleg vragen 

4. Maak nieuwe groepjes, nu van vier personen, waarin
ieder lid een verhaal over een andere persoon gelezen heeft. 
5. Beantwoord de vragen op Werkblad 1.1.a (2).

Slide 3 - Slide

1. Iedereen komt uit het buitenland. waar niet waar
2. Iedereen woont in Nederland. waar niet waar
3. Iedereen is naar school geweest waar niet waar
4. Iedereen kan lezen. waar niet waar
5. Iedereen werkt in Nederland. waar niet waar
6. Iedereen wil een opleiding volgen. waar niet waar
werkblad 1.1a (2)

1. Iedereen komt uit het buitenland.       waar / niet waar
2. Iedereen woont in Nederland.              waar / niet waar
3. Iedereen is naar school geweest          waar / niet waar
4. Iedereen kan lezen.                                  waar / niet waar
5. Iedereen werkt in Nederland.                waar / niet waar
6. Iedereen wil een opleiding volgen.      waar / niet waar

Slide 4 - Slide

Hoe heeft Aron in Nederland werk gevonden?
A
Hij heeft eerst stage gelopen.
B
Hij heeft van een coach een baan gekregen.
C
Hij is met een coach op bezoek gegaan bij bedrijven.

Slide 5 - Quiz

Sunee kon in Nederland niet hetzelfde werk doen als in Thailand. Wat heeft ze toen gedaan?
A
Ze heeft een beroepsopleiding gedaan.
B
Ze heeft van haar hobby haar werk gemaakt.
C
Ze is thuis gebleven.

Slide 6 - Quiz

Wat voor werk doet Ricardo in Nederland?
A
Hij heeft zijn eigen garage geopend.
B
Hij loopt stage in een garage.
C
Hij werkt als automonteur.

Slide 7 - Quiz

Wat heeft Mariam gedaan toen ze in Nederland kwam?
A
Ze heeft een opleiding gedaan.
B
Ze heeft Nederlands geleerd.
C
Niets, want ze was ziek.

Slide 8 - Quiz

Nieuwe woorden
de administratie         de coach                  verbeteren
in dienst                         depressief               de uitdaging 
de landbouw                enthousiast            weer
ondanks                         de gewoonte
ontstaan                         iets halen            
het recht                         ideaal                        begrijpen & verstaan
uiteindelijk                     klaarmaken            zelf gebruiken
weigeren                         het metaal

Slide 9 - Slide

Tips bij nieuwe woorden leren
Begrijpen en verstaan: 
1. wat betekent het woord?
2. hoe klinkt het woord?

Zelf gebruiken: 
3. Hoe zeg je het woord?
4. Hoe schrijf je het woord?
5. Welke vormen kan het woord hebben?
6. Hoe kun je het woord in de zin gebruiken?

Slide 10 - Slide

Maak opdracht 4, 5 & 6 (blz. 8/9)
timer
5:00

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Slide

Opdracht 7. Spreek samen
1. Waar kom je vandaan? (zijn opgegroeid)
2. Wat vind je van een supermarkt dichtbij huis? (ideaal)
3. Wat is je wens voor volgend jaar? (rijbewijs halen)
4. Wat is je huiswerk? (verbeteren)

Slide 13 - Slide

Opdracht 8.
1. Op zaterdag is het onze g.... om patat te eten.

Slide 14 - Open question

Opdracht 8.
2. Het lukt me niet om werk te vinden. Daarom zoek ik een c...

Slide 15 - Open question

Opdracht 8.
3. Gisteren heb ik niet gewerkt, maar vandaag moet ik w... naar de fabriek.

Slide 16 - Open question

Opdracht 8.
4. Ik wil weinig plastic gaan gebruiken. Dat vind ik een u...

Slide 17 - Open question

Maak een zin met het woord:
depressief

Slide 18 - Mind map

Maak een zin met het woord:
klaarmaken

Slide 19 - Mind map

Maak een zin met het woord:
metaal

Slide 20 - Mind map

Maak een zin met het woord:
enthousiast

Slide 21 - Mind map

Grammatica
voltooid verleden tijd

Lees de uitleg op blz. 10 (& 257 / 259)

Slide 22 - Slide

Opdracht 11.
Ga naar leren.kleurrijker.nl en maak de opdrachten bij 1.1 Grammatica 1.* (opdracht 12 t/m 17) 




Klaar? Begin alvast met opdracht 1 t/m 11


timer
15:00

Slide 23 - Slide

Opdracht 12.
timer
5:00

Slide 24 - Slide

Maak opdracht 13
Schrijf de antwoorden in je boek (blz. 10)
timer
3:00

Slide 25 - Slide

Slide 26 - Slide

Opdracht 14. 
Wat hebben ze vandaag gedaan?

Slide 27 - Slide

Welke beroepen ken jij?

Slide 28 - Mind map

Opdracht 16.
Zoek bij elkaar.

Zie je boek (blz. 11)
timer
2:00

Slide 29 - Slide

Slide 30 - Slide

Opdracht 17.
1. Neem een beroep in gedachten. 
2. Vertel over het werk, maar noem het beroep niet. 
3. De klas raadt je beroep.

Slide 31 - Slide

Opdracht 18.
Zoek bij elkaar.

Zie je boek (blz. 11)
timer
2:00

Slide 32 - Slide

Slide 33 - Slide

Opdracht 19. Spreek samen **
1. Waar ben je opgegroeid?
2. Uit wat voor gezin kom je?
3. Naar welke school ben je geweest in jouw land?
4. Wat voor werk heb je gedaan in je land?
5. Wat heb je het eerste jaar in Nederland gedaan?
6. Wat heb je het eerste jaar in Nederland geleerd?
7. Welke plannen heb je voor de toekomst?

Slide 34 - Slide

Uitspraak gewone zin
Hoe schrijf je een gewone zin?
Ik ben schoonmaker. <-- . aan het einde van je zin

Uitspraak: 
Aan het einde van een gewone zin gaat je stem omlaag.

Slide 35 - Slide

Opdracht 20.
Vertel iets over jezelf. 

Vertel over je familie, opleiding en werk. 
Let op je uitspraak van gewone zinnen. 

Slide 36 - Slide

Maak de opdrachten bij 1.1
Ga naar leren.kleurrijker.nl en maak de opdrachten bij 1.1 





Niet klaar? --> huiswerk + huiswerkcheck volgende les
timer
30:00

Slide 37 - Slide