2.12 het werkwoord zonder en met 'te': Ik ga sporten. Ik probeer te sporten.
Werkwoorden zonder ‘te’ Werkwoorden met ‘te’
Ik moet morgen werken. Ik zit te bellen.
Ik mag morgen werken. Ik lig te bellen.
Ik wil morgen werken. Ik sta te bellen
Ik kan morgen werken. Ik durf niet te bellen.
Ik zal morgen werken. Ik hoef niet te bellen.
Ik ga morgen werken. Ik probeer te sporten
na moeten, mogen, willen, kunnen, zullen, gaan, komen: geen ‘te’